Opname van de orkestversie van:
‘Lamento
e Trionfo’ opus 127, 2004
Gespeeld door het Frysk
Fanfare Orkest olv.
Jouke Hoekstra,
WMC 2005, 17-7-05, Rodahal, Kerkrade.
‘Lamento e Trionfo’
opus 127 (2004)
Superieur / level 6
Tijdsduur: 11-12 minuten,
Bronsheim
Muziekuitgeverij
Voor het bestellen van de bladmuziek,
zie deze link:
https://bronsheimmusic.nl/lamento-e-trionfo-fanfare
of:
https://ammusic.nl/nl/concert-concours/2388-lamento-e-trionfo.html?search_query=marc+van+delft&results=46
Het werk ‘Lamento e Trionfo’ werd in de zomer
van 2004 gecomponeerd voor het Frysk Fanfare Orkest en haar dirigent Jouke
Hoekstra ter gelegenheid van het Wereld Muziek Concours en de WASBE-conferentie
(Singapore) in de zomer van 2005.
(tijdsduur: 10 minuten, uitgegeven bij Bronsheim)
Aangezien Jouke Hoekstra een zeer belangrijk gedeelte heeft geschrapt van mijn
werk, en ook allerlei dingen in de interpretatie en de muzikale zeggingskracht
[van met name het 2e thema] heeft veranderd [en afgezwakt] vindt men hier ook
een opname
van een zeer provisorisch klavieruittreksel,
zodat de geïnteresseerde kennis kan nemen van de aanvankelijke muzikale
intenties van de componist...
Uitgebreide toelichtingen van ‘Lamento e Trionfo’:
‘Lamento
e Trionfo’ opus 127, 2004
Het 1e
thema is geïnspireerd op Armeense Klaagmuziek, zoals we dat oa. ook vinden aan
het zeer fraaie en bijzondere begin van De 1e Armeense Rhapsodie van
Ed de Boer.
Het is zelfs zo dat de 1e 2 noten van de beginmelodie van
mijn werk en de Boers Rhapsodie identiek zijn:
Een pedaal-grondtoon (C’)
klinkt en de melodie zet in met kwint-kwart, in C: G-F,
in het kort-lang-ritme.
Dat is ook het eigenlijke hoofdthema van dit werk.
Later liet de Boer het authentieke volkslied horen waar dit begin op was
gebaseerd, en dat was nog een stuk fascinerender:
Wat ik mij kan herinneren zong
een oude vrouw met een rauwe, ongepolijste stem dezelfde melodie, maar in een
stijl die onmogelijk met ons notenschrift genoteerd zou kunnen worden:
Het gaat
om hele subtiele dingen, zoals kleine glissandi en ritmische en melodische
nuances die alleen maar via een traditie kunnen worden doorgegeven, evenals dat
bv. met veel lichte muziek en de Jazz-zangstijl het geval is…
Vooralsnog voelde ik mij niet geroepen om daar zelf iets mee
te doen.
Daarna maakte ik een dansvoorstelling van het Internationaal
Danstheater mee:
Dansen uit de Kaukasus, uit Georgi? en Armeni?.
Vooral de
dansen uit Georgi? waren geweldig, vurig, krachtig en bruisend.
De Armeense
dansen en muziek waren wat minder opzienbarend
tot er 3 musici plaatsnamen en
gedrieën een kort lyrisch stuk speelden.
Het ging om een compositie van Floor Minnaert, de leider van het ensemble
die een stuk in Armeense stijl had gemaakt.
We kunnen dat op de CD ‘KAVKAS’-Dansen van de Kaukasus
(ID records 18021 –
2002) terugvinden,
en wel nr. 11: Garod.
Een accordeon speelt de pedaaltoon, en
een klarinet en een Duduk,
het nationale Armeense instrument, ook een soort
klarinet, spelen een duet.
Het podium was donker, de 3 spelers kwamen op en gingen in een driehoek zitten,
en er klonk een betoverende zachte, verstilde, weemoedig-klaaglijke muziek
van
een wel zodanige subtiliteit en onzegbare melancholie
dat je wel ademloos naar
dit wonderbaarlijke gebeuren moest luisteren...
Het was een muzikaal hoogtepunt
waar je koude rillingen van zou kunnen krijgen
of tot tranen toe geroerd zou
kunnen worden….
Het bijzondere
zit ‘m ook in de in ons notenschrift onmogelijk noteerbare verfijnde nuances,
zoals mikro-intervallen, kleine glissandi, kleine ritmische nuances, en allerlei
effecten die aan een soort snikken (huilen) doen denken… Muzikaal huilen…
Het is ook bekend van het Armeense volk, dat
evenals de Joden een Diaspora-lot moest ondergaan, dat het een eeuwig
onderdrukt, uitgemoord en geslagen volk is…
(de 2e helft van de
‘Garod’ lijkt ook enigszins op Joodse Klezmermuziek)
In dit soort Armeense Klaagmuziek klinkt ahw. het eeuwige lijden van een
geslagen volk door.
Na afloop kocht ik onmiddellijk de CD van dit optreden.
De voorstelling bezocht ik met mijn vriend en groot
muziekliefhebber en deskundige (in het luisteren) Albert van der Wal, een groot
kenner van muziek, iemand met een zeer ontwikkelde en verfijnde smaak, aan wier
oordeel ik grote waarde hecht.
Hij is ook een volksmuziekkenner en wij waren ook
erg onder de indruk van de voorstelling en met name dit helaas veel te korte
stukje, de Garod.
Hij liet mij nog meer authentieke Armeense muziek horen op
oude platen.
Het vraagstuk waarom deze Armeense
klaagmuziek nu zo’n uniek soort van muziek is, wat op niets anders lijkt, waar
dat aan lag, deze smachtende, smekende melancholie hield mij lange tijd bezig.
Wat mij opgevallen was, was het feit dat de melodie van deze soort muziek vaak
circuleert om een centrale toon (vergelijkbaar met de Dominant in Gregoriaanse
muziek), namelijk de kwart van de mineurtoonladder (de F in C klein), wat
tamelijk uniek is, want in de meeste muziek is de kwint (de G in C klein) zo’n
soort rol toebedeeld…(soms de terts)
In de toonladder zijn er stabiele en instabiele tonen:
Grondtoon, terts en kwint
zijn stabiel;
secunde, kwart, sext & septiem gelden als instabiel.
Deze zijn
als wissel- of doorgangstoon meestal op weg van de ene naar de andere stabiele
toon, waar dan de rust of de afsluiting in gevonden kan worden…
Stabiele tonen of
functies klinken sterk, stevig, instabiele tonen labiel, zwak, verlangend.
Bij deze Armeense klaagmuziek zie je dat de melodie vaak om de
kwart van de toonladder circuleert, en aldus voortdurend een labiele, zwakke,
verlangende toonladdertoon benadrukt.
Alhoewel het gevoel in de muziek door de
majeur- of mineurterts wordt bewerkstelligd, zijn het juist de instabiele tonen
van de toonladder die aan de muziek een romantisch-verlangend, week of lyrisch
affect verlenen…
Het gebruik van alleen maar stabiele tonen in de melodie
maakt de muziek stevig, krachtig, manhaftig, sterk.
Door de labiele tonen, de
‘zwakke tonen’ kan een meer ‘vrouwelijk’, lieflijk affect ontstaan.
Toch is het ‘normaal’ dat ook in de meeste lyrische muziek in de melodie de grondtoon en de dominant (kwint) een spilfunctie vormen…
Dat in deze Armeense klaagmuziek de kwart zo’n
belangrijke rol speelt, wat je in bijna geen enkele andere soort muziek
terugvindt (bij mijn weten), is nu juist hetgeen wat dit soort van muziek zo
uniek maakt en zo herkenbaar als zijnde typisch Armeens. (naast de andere dingen
zoals de ‘snikkende speelstijl’ etc.)
Ook het nationale instrument, de Duduk speelt daarbij een belangrijke rol, een
soort van snikkende klarinet. (in de verte verwant met de Joodse Klezmer-muziek,
wat ik echter van een veel minder gehalte vind)
Hans Zimmer gebruikte dit instrument ook in de beroemde en populaire film-muziek
van
‘The Gladiator’, en wel had men hiervoor de in Armeni? waanzinnig
populaire en beroemde duduk-speler weten te strikken: Djivan Gasparyan…
Ook hier werd dit instrument ingezet om het onnoemelijke leed en
weemoedigheid muzikaal gestalte te geven….
Het besluit om echt iets te maken in de stijl, of geïnspireerd door Armeense
klaagmuziek ontstond echter pas na het zien van de film ‘The Passion of the
Christ’ van Mel Gibson.
Deze film werd alom de grond in geboord vanwege de
nadruk op de sadistische martelingen die Christus door de Romeinse soldaten moet
ondergaan, en degene die deze film ziet wordt dan ook van het begin tot
het einde geestelijk geradbraakt en murw geslagen bij het aanschouwen van zo
onvoorstelbaar veel ondraaglijke pijn en wreedheid.
Als toeschouwer kan je niet
anders dan meevoelen en meehuilen met het ondragelijke lijden wat je op het
witte doek aanschouwt.
Op een gegeven moment (tussen alle mindere en meer clichématige Hollywood-softe ‘zijk-muziek’) hoor je een stukje in de stijl van Armeense
klaagmuziek (ik meen me te herinneren ook met koor…?), en dít maakte een
enorme indruk, want wat paste nu beter:
Het lijden van Christus staat model voor
het lijden van de mensheid in het algemeen, en in het bijzonder voor de volkeren
die het ergste geleden hebben: Het Joodse en Armeense volk !
Hier zag en hoorde je het wereldleed ! Het lijden van een volk, het lijden van
Christus, die het lijden (ofwel de zonden) der mensheid op zich nam…
Wat mij verder fascineerde aan deze Armeense klaagmuziek is het circuleren
rondom de kwart van de toonladder.
Ik geef al heel lang cursussen over
Antroposofie en muziek, en over de betekenis van de toonsoorten, vanuit de
Planeten en dierenriemsymboliek.
Nu hangen de 7 planeten volgens de
Antroposofische visie (Rudolf Steiner) samen met de 7 tonen van de toonladder:
C-Mars, D-Mercurius, E-Jupiter, F-Venus, G-Saturnus, A-Zon, B-Maan.
Dit kan men betrekken op het karakter der toonsoorten, maar ook op de functies van de tonen in de toonladder.
Zie het schema op de volgende bladzijde.
Wat mij nu fascineerde aan de Armeense klaagmuziek was het feit dat de
‘Venus-kwart’ sterk wordt benadrukt !
Niet de kwart van kwint naar octaaf,
zoals veel volkliederen (begin Wilhelmus bv.),
wat nu juist de gang van de ene
naar de andere stabiele toon is,
een typische heroische ‘Marsfunctie’ (zoals
ook in veel trompetsignalen van de militaire muziek), maar de kwart tussen de
grondtoon en de labiele doorgangskwart tussen terts en kwint.
| Planeet | toon | toonladderfunctie | toonsoorten | toonsoortkarakter |
| Mars | C | Grondtoon,
basis aarde (de dood) |
C dur/moll, Cis klein |
sterk, stevig, mannelijk, heroïsch |
| Mercurius | D | secunde,
versie- ringstonen (water, beweging) |
D groot |
speels,
beweeglijk, humor, bruisend |
| Jupiter | E | terts:
toongeslacht (stabiele toon!) |
E en Es dur/moll | plechtig,
waardig, koninklijk verheven |
| Venus | F | kwart:
zwakke door- gangstoon, (aarzelend) Armeense klaag- muziekspiltoon subdominantgrondtoon |
F en Fis dur en moll |
vriendelijk,
teder, romantisch, lieflijk (Venus/Aphrodite staat voor het romantische |
| Saturnus | G | kwint,
Dominant, roeptoon, rusttoon |
G moll/myxoly- disch, pentatoniek |
archaïsch,
volks- oer- en kinderlied |
| Zon | A | sext,
stralend enthou- siame, euphorie, licht |
A en As dur/moll | stralend, enthousiasme, zonnig |
| Maan | B | septiem,
leidtoon, ver- langen, extase, ontruk- king, waanzin (lunatic) |
B groot en
klein (chromatiek,kl. secunde atonaliteit, Expressionisme) |
dromerig, verlangend,
nacht, ontrukking, geheimzinnig |
Venus staat voor het Romantische liefdesverlangen, wat heel sterk in de romantische kunst en muziek van de 19e eeuw naar voren kwam, vandaar dat in die periode de subdominant in de slotcadens (met de Venuskwart in de bas) zo’n belangrijke rol ging spelen, bv. zoals aan het slot van veel Wagneropera’s.
Nu vinden we dus dat in die Armeense klaagmuziek de ‘Venuskwart’ een belangrijke ‘roeptoon’ vormt, zodat men kan zeggen dat het bijzondere karakter van deze muziek oa. te maken heeft met de weemoedige en smachtende, verlangende werking van de ‘Venuskwart’….
In het stuk dat ik wilde schrijven zou dus dan in de melodie ook heel sterk de nadruk moeten komen te liggen op deze ‘Venuskwart’……
De Armeense klaagmuziek is echter meestal een-, hoogstens tweestemmig. In dit stuk wilde ik meerdere stemmen met elkaar combineren, zodat er in de ‘roep-tonen’ een soort kwartenstapeling zou optreden ….
Wat betreft de instrumenten:
Helaas had ik niet de beschikking over duduks, maar
saxofoons en bugels kunnen ook een soortgelijke klaaglijke klank voortbrengen.
Het meeste zorgen baart mij eerder de speelwijze van de solisten:
Zouden deze de
subtiliteiten en de speelstijl die ik hier bedoeld heb kunnen begrijpen en
realiseren?
Helaas is de kans daarop klein, want de althobo- en fagotsoli aan
het begin van de Boers 1e Armeense Rhapsodie spelen ook niet in deze
stijl.
Westerse orkesten spelen gewoon de noten, waardoor alles heel ‘clean’
en netjes wordt.
Hetzelfde gebeurde bv. bij het gezang ‘in Afrikaanse stijl’ door het Nationaal Jeugd Fanfare Orkest in mijn symfonisch gedicht ‘Afrika’, en als een gewoon ensemble Strawinsky’s ‘Les Noces’ speelt en zingt klinkt het ook heel erg claen en braaf, als je het vergelijkt met het rauwe en volkse viswijven-gegil van het Prokowsky-ensemble…
Ik hoop dus maar dat de dirigent in staat is om aan de solisten van het FFO over
te brengen wat voor onnoteerbare subtiliteiten verwacht worden.
Het beste zou
zijn om aan hen de ‘Garod’ uit de CD KAVKAS te laten horen !
Het was een van mijn zorgen of het begin van dit werk wel
genoeg in de geest verwant zou zijn aan de sfeer en de ziel van de Armeense
klaagmuziek.
Albert van der Wal had al zijn kritiek geuit over het begin van de
Boers 1e Armeense Rhapsodie, hij vond dat de Boer volgens hem deze
soort van muziek niet echt had begrepen.
Ik denk dat hij bedoelt dat het te
‘clean’ en te ‘westers’ klinkt, ongeveer zoals muziek van ‘het
machtige hoopje’ (Rimsky Korsakow, Borodin ea.) of Tsjaikowsky in vergelijking
met de echte rauwe Russische volksmuziek zoals het Prokowsky-ensemble dat
uitvoert…
Toen ik mijn stuk aan Albert voorspeelde was hij echter
redelijk te spreken over het begin, en dat is heel bijzonder, want vaak heeft
hij vernietigende kritiek op mijn muziek, dus als hij iets goed vindt, dan is
dat wel heel bijzonder… !
Dat gaf mij het vertrouwen dat ik toch iets goeds had gedaan met de
inspiratie-bron aan het begin van mijn stuk. Ik had wellicht de ziel van de
Armeense elegische stemming begrepen…..
Nu maar hopen dat het de dirigent ook lukt om iets van deze stemming op de
orkestleden over te brengen….
Het 2e gedeelte van de klaagzang beginnend op maat 23 met lange liggende C’s lijkt enigszins op het begin van de ‘Garod’ van de CD KAVKASNu mengt zich de tenorsaxsolist in het gebeuren.
De tenorsax speelt een vrije stem terwijl de sopraansax op maat 28 de melodie van de altsax imiteert.
Terwijl de andere stemmen uitsterven speelt de sopraansax nu met de pedaal-toon C`` (bugel) vanaf mt. 30 een melodie die om de Venus-kwart F circuleert, ongeveer zoals aan het begin, wat dan afdaalt naar de D/secunde.
Het eigenlijk ‘hoofdthema’, of liever gezegd, ‘hoofdmotief’, de afdalende grote secunde, vormt de basis waarop het volgende gedeelte zich opbouwt.
De verschillende instrumenten laten nu de tonen zodanig liggen dat zich het kwinten-akkoord C-D-F-G opbouwt, van boven naar beneden in de toonhoogte, waarbij de lage G op een gegeven moment de bastoon vormt, een kwart onder de C dus, een soort 6/4-akkoord.
Aanvankelijk speelt de altsax weer de beginmelodie op mt. 35 terwijl boven haar de tonen G-C-D blijven liggen, daalt dan af naar de D, waarna in het klein octaaf er weer nieuwe steminzetten lijken te verschijnen: G-F (39), dan D-C (40), maar deze beperken zich tot alleen het hoofdmotief: de dalende gr. sec.
Dreigende trom/paukenroffels begeleiden de steminzet van de bovenstemmen die het hoofdmotief G-F 3x inzetten vooraleer een groot crescendo uitmondt in datgene (va. mt. 45) wat eventueel het ‘2e thema’ genoemd zou kunnen worden.
Tweede
‘thema’, Trionfo:
Op maat 45 begint een gedeelte
dat zich eventueel aan laat duiden als ‘2e thema’, alleen is het
geen echt tweede thema, want het melodie-materiaal is afgeleid van het ‘1e
thema’, de klaagzang….
Op het liggende
kwintenakkoord dat zich tevoren langzaam heeft opgebouwd klinkt nu in het ff
door het tutti, een heroïsch gedeelte, met 2 belangrijke elementen: Het
‘hoofdmotief’, de dalende secunde, wat nu verder wordt uitgewerkt met een
snel kort-lang-ritme, met de tonen F-G, A-F, B-G.
Het 2e element laat zich afleiden van de omspelingen van de spiltoon
van de beginmelodie van het werk, alleen nu in ‘heroische’ strakke vorm,
zonder ritmische subtiliteiten ed. : ahw. ‘de verstening’ van de
beginmelodie….
Het hoogtepunt van deze passage is maat 71, als de melodie in viervoudig
fortissimo uitmondt op de F, de Venus-kwart van de toonladder van C groot,
evenals aan het begin van het werk, waarbij de Venus-kwart F de spiltoon vormde,
een belangrijk moment dus! (de F symboliseert de liefde….)
Een ritmische moeilijkheid zal zijn om de tempowisselingen van het 1e
naar het 2e element te bewerkstelligen.
Het hoofdmotief wordt steeds
in kwart=72 gespeeld (hetzelfde tempo als het begingedeelte), de snelle omspelingsnoten zijn echter in een sneller tempo: kwart=108-120, wat iedere keer
ook weer zachter begint vooraleer het ff weer bereikt wordt in het 1e
motief, het hoofdmotief, wat weer breder en grootser is….
Na dit gedeelte volgt op maat 78 een gedeelte wat enigszins vergelijkbaar
is met de doorwerking van een symfonie: Een muzikale dramatische strijd, de ‘Auseinandersetsung’,
de dramatische climax…..
Het is ook een meer vrijer gedeelte wat bij wijlen met het materiaal uit de
‘Expositie’ werkt, maar ook allerlei andere motieven en muzikale ideeën
volgen.
Dit is het eigenlijke gedeelte waarbij het orkest zich van zijn virtuose kant
kan laten zien, het snelle gedeelte, het meest spectaculaire gedeelte…
We vinden in dit gedeelte vaak afwisselend trompetfanfare-achtige passages (bv.
mt. 90) en vanuit de diepte omhoog voerende motieven in parallelle tertsen met
hamerende grote (en later kleine) tertsen in de bas (vanaf bv. mt. 86).
Op 82 vinden we een soort signaalmotieven in de trompetten, welks motief men
zich ook eventueel afgeleid kan denken van het hoofdmotief (dalende secunde).
Op mt. 86 barst het omhoog voerende parallelle grote tertsen-motief los (ook
eventueel afleidbaar vh. hoofdmotief).
Op mt. 90 een fanfare-achtige passage in
de trompetten (veel priemen).
Op maat 99 barst weer een hamerend gedeelte los
met hetzelfde thema als in mt. 86.
Op mt. 102 vinden we een combinatie van beiden: De trompetten spelen
signaal-motieven zoals vanaf mt. 82 terwijl in de bas een omhoogvoerende melodie
in parallelle tertsen ontstaat, verwant aan mt. 86, nu wordt een nieuw soort
melodie gevormd, en is de grote terts ahw. verdicht tot de kleine terts, zodat
een meer subjectief mineur-achtige dramatiek ontstaat ipv. het meer
majestueus-grootse en bovenpersoonlijke effect van de parallelle grote tertsen.
Dit gedeelte staat in de noodlotstoonsoort C klein zodat later ook grote tertsen
voorkomen.
Op maat 107 vinden we
weer een trompetfanfare (zoals mt. 90) die naar de hoge C voert.
Er volgt nu een majestueuse passage in parallelle grote tertsen in de bas (in 3 oktaven) wat zeer groots en verheven kan klinken, koninklijk-bovenpersoonlijk zou je kunnen zeggen, als sprak God zelf tot ons ahw. ….
Op maat 118 vinden we een voortzetting van de parallelle grote tertsen in de bas gecombineerd met een fanfare-achtige melodie in de hoorns.
Op maat 126
vinden we een parallelle tritonusbeweging in de bovenstemmen, melodisch een
soort voortzetting van eerdere thematiek wat op maat 129 wordt gevolgd door een
soortgelijke beweging als van mt. 86, maar nu in parallelle tritonussen ipv.
tertsen.
Maat 132-133 is een soort verkorte versie van mt. 90-98 (fanfaresque
passage).
Maat 134-138 is een iets uitgebreidere reprise van maat 102-106, de
dramatische passage met parallelle tertsen in C klein met de trompetsignalen
erboven.
Ikzelf vond dit een van de meest indrukwekkende passages uit het werk.
Lange tijd (en nu nog, begin september) bleef dit gedeelte maar in mijn hoofd
doorgonzen, zodat ik het zonde vond om dit gegeven maar een keer te gebruiken.
Hier komt het in iets uitgebreidere vorm terug.
De fanfareske trompetten-passage van mt. 139-143 is een verkorte reprise van de
passage van maat 107-111, de naar de C```opstijgende trompettensignalen.
Maat 143 begint als een reprise van maat 86-89, hamerende grote tertsen in de
bas en parallelle melodisch opstijgende grote tertsen in de melodie, alleen
wordt deze beweging nu steeds verder naar boven toe voortgezet.
De tertsen in de
bas verdichten zich vanaf maat 146 tot kleine tertsen, wat weer verwijst naar de
eerdere dramatische passages met parallelle kleine tertsen.
In maat 147 beginnen
ook in de melodie de parallelle grote tertsen zich te verdichten tot kleine
tertsen zodat de tragisch-dramatische werking van de mineurterts voor een zeer
drama-tische en ahw. fatale stemmingsomslag zorgt….
Het melodische en muzikale
hoogtepunt van de hoge C wordt bereikt in de maten 147-151. Met de dramatische
climax van mt. 151 wordt weer de dramatische en strijdvaardige
‘noodlots-toonsoort’ C klein als hoogtepunt van deze
‘doorwerkingspassage’ bereikt, waarna de ‘ineenstorting’, de anticlimax
volgt. In parallelle tertsenbeweging daalt de melodie nu verder af naar het
dieptepunt van maat 158.
Evenals veel
C-klein-symfonieën gaat het in dit werk om de strijd en de overwinning van het
noodlot, wat wordt uitgedrukt door de gang van C klein naar C groot (bv. 5e
Beethoven, 1e Brahms, 1e, 2e, 8e
Bruckner eva.).
In tegenstelling tot deze 4-delige symfonieën is het 1e
thema (vh. 1e deel) echter geen ‘strijdthema’, maar een lyrische
klaagzang, gevolgd door een naar
C groot toevoerend 2e gedeelte, met het liggende kwintenakkoord, wat
zeer heroïsch, breed en verwachtingsvol klinkt, alsof grootse dingen ophanden
zijn.
Het is eigenlijk voortdurende de V/Dominant van C groot, maar de Tonica/I wordt
niet bereikt.
In plaats daarvan vinden we met de intrede van het 3e
gedeelte een soort ‘bedrieglijk slot’.
Geen VIe trap natuurlijk, maar de B
van maat 78, waarna dan de eigenlijke ‘strijd’ losbarst, die we in een
symfonie normaliter in het 1e deel en in doorwerkingspassages zouden
aantreffen…
Maar C klein symboliseert in dit stuk ook het noodlot en de droefheid ed. ,
vandaar dat het muzikale fatale hoogtepunt op maat 151 in C klein staat…
(ook andere dramatische passages uit dit gedeelte stonden in C klein !)
Op maat 159-160 begint een fuga, een soort verwijzing naar het
begin, het Lamento, wat ook een fuga was, alleen staat de passage die nu volgt
niet in C klein maar in de octotonische toonladder.
De 1e steminzet
is echter ook weer een melodie die om de Venus-kwart (de D in A octotonisch)
circuleert en dan naar de secunde (de B, mt. 160) afdaalt.
Maat 161 is een
16en-passage die gebruik maakt van het dalende grote-secunde-hoofdmotief. Op mt.
162-163 vindt de 2e steminzet plaats, een octaaf hoger en op 167-168
de derde steminzet, weer een octaaf hoger.
Ondertussen is nu een polyfoon gedeelte
ontstaan wat zich op vrije wijze voortzet tot op maat 181 het melodisch
hoogtepunt op de hoge A`` wordt bereikt.
In de bas vinden we een ostinato-tritonus-beweging, en er komt steeds meer ritmisch slagwerk bij, wat de
spanning en de opbouw naar het hoogtepunt toe versterkt.
Op maat 181 volgt nu de opbouw naar de dramatische climax, ritmisch-melodisch
verwijzend naar de eerdere parallelle-tertsen-passages, maar vanuit het
octotonische gedeelte nu in ‘duivelse’ parallelle tritonussen.
Vanaf maat 184 vinden we het dramatische hoogtepunt van het
werk, in brede akkoorden, een verwijzing naar het ‘Trionfo’, het ‘2e
thema’, maar nu ipv. hoopvolle en verwachtingsvolle kwinten-akkoorden in C
dur, brede fatale mineur-akkoorden, vanaf maat 185 ook combinaties van 2
mineurakkoorden, op gr. secunde afstand, een voor mijn stijl typerend soort
harmonie, wat ik ook in eerdere werken gebruikte, bv. de Michaelssymfonie.
De
opstijgende triolen-beweging (bv. mt. 187, 189, 192) is melodisch afgeleid van
de eerdere parallelle tertsen-beweging uit de doorwerking.
Het kwintolenmotief
is afgeleid van het 2e thema en verwijst weer naar de omspelingen van
het 1e thema.
Op maat 193 wordt dan het absolute hoogtepunt bereikt, de climax, het
melodische hoogtepunt van de hoge Cis```, gevolgd door chromatisch afdalende
brede akkoorden die hun dieptepunt (anticlimax) in maat 200 bereiken, in het
Bes-klein-akkoord met de F in de bas (6/4-akkoord).
Reprise ofwel
de ‘Herinnering’ aan de expositie:
Het nu volgende gedeelte is een soort verkorte reprise van de
‘expositie’ van het 1e en 2e ‘thema’, eerder op te
vatten als een ‘herinnering’….
In
dit stuk en in dit kader zou een uitgebreidde en letterlijke reprise van de
expositie in de vorm niet werken, de ontspanning zou te lang duren om van
daaruit weer de slotclimax op te bouwen….
Na deze fatale ineenstorting lijkt wel het alsof de wereld ten onder is gegaan,
vanuit deze uitzichtsloze ineenstorting kan alleen maar een klaagzang volgen die
treurt over het verlies, over het drama wat zich hiervoor afspeelde.
De betekenis die men kan toedichten aan het gebruik van de
Venuskwart als spiltoon zou kunnen zijn, die van een soort smachten en
verlangen, een soort: ‘heb medelijden met me’, ‘schenk me je liefde’,
‘kom naar me’……
Men kan ook denken aan ‘hoop’, hoop op liefde misschien.
Men kan zeggen: de klaagzang smeekt een soort genade af, ‘red me’,
‘ontferm u over ons’, ‘miserere nobis’, ‘lijd met mij mee’ ahw. (De
F geldt ook als de Christustoon!)
Misschien kan men het zo duiden dat het 1e
thema vanuit een diep lijden smeekt om hulp en liefde.
Het 2e thema
lijkt wel deze redder in nood te zijn, een held, die komt om te helpen, maar in
het doorwerkingsgedeelte barst de enorme strijd los die gestreden moet worden,
en waarbij het lijkt of tenslotte het onderspit wordt gedolven, de held lijkt te
sterven, de dood slaat toe.
Vanuit die hopeloze positie klinkt nu voor de 2e
maal de smekende roep om genade, de roep om liefde, die nu dit keer met de
intrede van het slotgedeelte wél
wordt beantwoord, zodat het 2e thema nu niet in een fatale strijd
uitmondt maar in de overwinning van de held op zijn noodlot, ofwel de
‘opstanding uit de dood’, de herrijzing van de Phoenix, zoals we dat zo
indrukwekkend aan het eind van Brucknersymfonieën vaak kunnen horen (bv. het
slot van de 4e, 8e ea.)…
Als we het zo zien dat de benadrukking van de
Venus-kwart juist dit hoopvolle, vragende effect bewerkstelligt van de
klaagmuziek, zou men kunnen zeggen: Venus smeekt, vraagt, en als antwoord
verschijnt Mars, de held, het C-groot-slot, om Venus te redden, om haar liefde
te vervullen.
Ares beminde Aphrodite, en uit hun verbintenis ontstond
Eros-Amor-Cupido, want tussen de Mars- en de Venus-kracht in iedere mens
ontstaat de verliefdheid…..
De Expositie van het 1e thema staat in C
klein, maar melodisch circuleert de melodie om de Venus-kwart F, de toon / het
interval van de smeekbede…
Nu, in de reprise, de herinnering aan de
klaagzang wordt deze smeekbede ahw. nogmaals geïntensiveerd doordat niet
alleen de melodie om de Venus-kwart (in de expositie: F) circuleert, maar dit
keer is ook de pedaaltoon, de grondtoon zelf een ‘Venustoon’, nu is de
pedaaltoon een F, die overblijft vanuit het 6/4-Bes-klein-akkoord. Dit is dus
ahw. de vervulling in toonsoort van de kern van het werk, de Venuskwart, de F,
de Venustoon, die nu grondtoon wordt !!
Geen enkele Man / Mars / Ares kan de roep van een Venus
/ Aphrodite / een schone jonkvrouw weerstaan, de roep om redding en liefde is
nu, doordat nu ook de Grond- en pedaaltoon, een Venustoon, de F is, is nóg
sterker als aan het begin, zodat het antwoord nu ook een zwichten is voor de
smeekbede...
Op maat 202 blijft dan nu vanuit het Bes-klein-6/4-akkoord
de pedaaltoon F liggen en de altsaxsolo zet op maat 205 in met de begin-melodie
in een gevarieerde vorm, nu nog langer circulerend om de Venus-kwart, als ware
het een nog dringender smeekbede, eventueel uitmondend in een improvisatorische
passage die om de Venuskwart circuleert, waarna de melodie afdaalt naar de
secunde.
Hierna wordt niet meer een soort fuga opgebouwd, maar de tenorsaxsolo
zet eveneens de beginmelodie in terwijl allerlei tonen blijven hangen waardoor
nu ook weer een kwinten-akkoord, dit keer F-G-Bes-C, wordt opgebouwd.
Op mt. 218 wordt weer het
hoofdmotief, de dalende grote secunde gespeeld.
Het akkoord wordt nu steeds
voller, de spanning stijgt, een machtig crescendo wordt opgebouwd….
Nog
hoopvoller is het nu dat vanuit het kwinten-akkoord vanuit F (C in de bas, als
in een 6/4-akkoord) het hoofdmotief opklinkt, maar in plaats van in dalende vorm
nu in stijgende vorm !
We zouden dit akkoord ook als een Subdominant kunnen
opvatten die in een klassieke cadens gevolgd moet worden door een Dominant en
een Tonica.
En dat gebeurt dan ook:
Reprise 2e
thema:
Als antwoord op het voorgaande barst in maat 226 het heroïsche en
verwachtingsvolle 2e thema los, ahw. het antwoord van Mars op de
‘lokroep’ van Venus…….
Het 2e thema wordt nu in een verkorte en
enigszins veranderde vorm herhaald, en dit keer wordt het niet gevolgd door een
‘Trugschluss’ op de B, maar
door het heroische C-groot-slot vanaf maat 243, wat als Coda is op te vatten….
Het trompetten- en Hoornen-motief doet enigszins denken aan
de fanfareske passages uit de ‘doorwerking’, maar nu niet in dramatische
maar in een plechtige, verheven vorm.
De trompetten spelen een triomfantelijke
melodie die steeds opstijgt naar de hoge C``` en die ook verwant is aan bepaalde
passages uit de doorwerking, waarin het hoofdmotief, de dalende grote secunde
is verwerkt, en het hoofdmotief met het kort-lang-gepunteerde ritme uit het 2e
thema en wat in maat 253 3x voorkomt vooraleer de muziek in de uiteindelijke
Tonica in C groot uitmondt, die in triomfantelijke zegevierende
C-groot-akkoorden het werk naar een groots en apotheotisch slot voert….
Ikzelf, evenals dirigent Jouke Hoekstra zijn Ram van
Sterrenbeeld, wat samenhangt met de toonsoort C groot.
(Mars is de heerser van Ram…)
Nu is de
altsaxophoonsoliste van het Frysk Fanfare Orkest, Jansje Westra, de geliefde en
vriendin van de dirigent. Het is dus zo dat de ‘Venus’ van de dirigent (deze
is een Mars-Ram-Man) ook de Venus-smeekbede van het 1e thema (de
Armeense klaagzang, het Lamento) op haar smachtende altsax zal spelen terwijl
haar ‘Mars’ het orkest leidt, en deze ook zal voeren naar de apotheotische
Marciale C-dur-overwinning aan het slot (Trionfo).
Het zal mij benieuwen wat er zich nu tussen deze twee muzikaal-emotioneel zal
afspelen als dit stuk gespeeld wordt, als Jansje (Lamento) de smachtende
Venus-saxophoonsolo speelt voor haar ‘Mars’, als Jouke (Trionfo) zijn
marciale heldendaden als dirigent verricht voor zijn ‘Venus’….
Zullen zij elkaar inspireren? … En
zal de muziek hen beiden tot nog grotere hoogten van muzikale vervoering
brengen… ? ….
De titel van het werk werd samen met de dirigent
gevonden.
Misschien kan men nu de dirigent en zijn vriendin de bijnamen
‘Lamento’ en ‘Trionfo’ geven want de uitvoeringen op de WASBE-conferentie in Singapore en op het WMC te Kerkrade zullen ook hopelijk een
‘Trionfo’ worden in die zin dat het orkest zal triomferen in de
muziekwedstrijd te Kerkrade, en wederom eens Kampioen zullen worden, zoals ook
in 1993 (met mijn ‘American Fantasy’) gebeurde…. (daar ligt een mooie taak
voor dirigent Trionfo met zijn vriendin Lamento…)
Laten we hopen dat de uitslag na afloop van het optreden hetzelfde te zien geeft
als mijn nieuwe werk: Voerend van Lamento naar Trionfo, van een klaagzang (over
eerder verlies) naar de overwinning……..
(MvD, 5 September 2004)
-----------------------------------
Ps. (2021)
Helaas werd de uitvoering op het WMC door het FFO een grote teleurstelling, door
de coupures van de dirigent en de totaal verkeerde interpretatie van het 2e
thema....
Het gehoopte grote succes is uitgebleven. Het FFO werd geen kampioen....