Marc van Delft:
Artikelen, boeken en beschouwingen
______________________________________________________________________________
BOEK I
Beschouwingen
over de geesteswetenschap van Rudolf Steiner
2003
__________________________________________________________________________________
Inhoudsopgave
0
Voorwoord
1 Over
Rudolf Steiner
2
Uitgangspunten
van de Antroposofische wereldbeschouwing
6
Waarom
Antroposofie?
7
De
Akasha-kroniek en de antroposofische Geschiedkunde
10
Het
4-ledig Antroposofisch mensbeeld
11
Samenhangen
met het 4-ledig mensbeeld en de 4 elementen
17
Het
negenledig mensbeeld
19
De drie
zielekrachten en het 3-ledig mensbeeld
27
De Slaap
en het droombewustzijn
27
Tussen
waken en slapen: De extase
28
Vreugdesextase
en depressie in het negenledig mensbeeld
29
De Dood
35
Over de
geestelijke wereld en haar bewoners
38
De
kosmische evolutie
40
Christus
als de ‘Heiland’
41
De
Aarde-evolutie
42
De zeven
Na-atlantische Cultuurtijdperken
43
De
Atlantische tijd
46
De eerste
3 aarde-evolutie-fasen
46
Het
Polarische wortelras
46
Het
Hyperboreïsche wortelras
46
Het
Lemurische wortelras
50
De
evolutie tijdens de Atlantische periode
51
De
Na-atlantische evolutie
57
De
toekomst
60
De
toonladder als beeld van de mensheids-evolutie
72
De
Antimachten
72
De
polariteit van Lucifer en Ahriman
74 De
antimachten als ‘gevallen engelen’
75
De
luciferische wezens en het menselijke astraallichaam
76 De
ahrimanische invloed op het etherlichaam
79
De
kruisiging van de ziel
80
Lucifer
en Ahriman in de literatuur en de cultuur
85
Luciferische
en ahrimanische tendenzen in de kunstgeschiedenis
86
De
Asura’s (Rhakshasas)
89
De
weerstrevende machten en de ‘Unternatur’
92
Karma en
reïncarnatie
97 De
geestelijke scholing
_________________________________________________________________
In dit boekje wilde ik de lezer een inleiding tot de
Antroposofie voorleggen.
Wanneer men een niet-ingewijde geïnteresseerde iets
wil vertellen over de leer van de Antroposofie, dan moet men hem eerst de
uitgangspunten van het antroposofisch mensbeeld, de kosmische evolutie, de
hoedanigheden van de geestelijke wereld ed. uitleggen, kortom, men zal hem enige
antroposofische basisbegrippen moeten uitleggen, zoals Steiner dat in zijn
basisboeken: ‘Theosofie’, ‘Wetenschap van de geheimen der ziel’, en
‘Hoe verkrijgt men bewustzijn op hogere gebieden’ heeft gedaan. De wijze
waarop dit in deze boeken uiteen wordt gezet is echter tamelijk abstract en
elementair. Mijn ervaring is het, dat men van deze begrippen pas werkelijk iets
gaat begrijpen wanneer men in de wereld om zich heen en in het dagelijkse leven
gaat zien hoe deze dingen werken. Hoe langer men ermee leeft, hoe meer men gaat
zien welke dingen allemaal samenhangen met de werkzaamheden van deze zaken.
Wanneer men de mensen dergelijke voorbeelden geeft gaan deze begrippen pas
werkelijk ‘leven’. Daarvoor waren het vaak slechts lege, abstracte
begrippen, waar men in de praktijk weinig mee kon.
De
bedoeling van dit boekje was het, om de elementaire begrippen van de
Antroposofie zodanig met voorbeelden te larderen, dat de lezer meteen een beter
inzicht en begrip krijgt over de wijze waarop ‘Antroposofie werkt’.
Wat eerst een lege abstractie leek kan dan een bron
van herkenning worden van alles wat men om zich heen aantreft. Ik heb ernaar gestreefd
om ook allerlei samenhangen die men in mens en wereld aan kan treffen zodanig op
een rijtje te zetten dat men getroffen wordt door de frapantheid ervan, en wel
in die mate dat men voor zichzelf tot de conclusie kan komen dat dit wel zo
opmerkelijk is dat men niet om de meedogenloze logica van deze benaderingswijze
heen kan.
In
dit boekje heb ik als voorbeelden veel gekozen voor allerlei fenomenen uit de
muziek: Intervallen, toonsoorten, de vorm van de symfonie etc. Voor de geïnteresseerde
muziekliefhebber zou dit boekje wellicht daarom ook wel interessant kunnen zijn
omdat de oerbeelden van de mens en zijn ontwikkeling, zoals dat zich bv. in de
toonladder uitdrukt, iets over het wezen van de samenhang tussen mens en muziek
begrijpelijk maakt.
Ook
verwijs ik bij bepaalde onderwerpen naar literatuur, film, opera, natuur,
volksaard, klimaat, etc.
Men
dient echter in het oog te houden dat men er in de Antroposofie van uit gaat dat
er niet maar ‘een waarheid’ bestaat, en dat men de dingen op vele manieren
kan bekijken. Wat hier staat zijn geen dogma’s of alleenzaligmakende
waarheden, maar alleen maar handvaten die worden aangereikt om een dieper begrip
van mens en wereld te verkrijgen.
Het
beste kan de lezer hierna toch ook de bovengenoemde basiswerken van Steiner gaan
lezen, en in het boekje zelf worden een aantal boektitels genoemd die de
mogelijkheid geven voor degene die verder geïnteresseerd is in bepaalde
onderwerpen zich hier verder in te verdiepen.
__________________________________________________________________________
Wie de inhoud van dit boekje op Word wil lezen kan een mailtje sturen naar Marc om hem te vragen om dit worddocument via email als attachment naar hem toe te sturen:
Email: meimvandelft@cs.com
_________________________________________________________________________________
Rudolf Steiner (1861-1925) was een Oostenrijkse
wetenschapper en filosoof die een leer, een wereldbeschouwing in het leven heeft
geroepen waaruit talloze vernieuwende impulsen in het cultuurleven zijn
voortgekomen. Daaronder val-len onder andere: Onderwijs (de ‘Vrije school’),
landbouw (de Biologisch Dynamische landbouwmethode), nieuwe vormen van beeldende
kunst (bv. antroposofische sluierschildertechniek), dans (eurithmie), toneel (spraakvor-ming,
mysteriedrama’s), architectuur (organische- en / of antroposofische
archi-tectuur), geneeskunde (Weleda- en Walamedicijnen bv.), religie (de
Christen-gemeenschap), een nieuwe visie op de organisatie van de maatschappij (Drie-geleding),
en vele vormen van wetenschap (bv. de kleurenleer, de leer over de metamorphose
van de planten, ideeën over geschiedenis, aardrijkskunde, taal, natuurkunde,
scheikunde, biologie, wiskunde, psychologie, pedagogie etc.).
In feite is er geen gebied van het cultuurleven
waarvoor Steiner géén vernieu-wende gezichtspunten heeft ontwikkeld. (zelfs
bijenteelt en kosmetica)
Steiner studeerde eerst natuurwetenschap en
filosofie, promoveerde tot dokter in de filosofie, was daarna vooral werkzaam in
de uitgeverswereld en werkte oa. mee aan een uitgave van het complete oevre van
Goethe. Rond 1900 verhuisde hij naar het bruisende Berlijn waar hij cursussen
ging geven en een tijdschrift uitgaf. In die tijd begon hij ook voordrachten te
houden en boeken te schrijven. Hij ontwikkelde daarna een alomvattende leer die
zich uitstrekte over alle le-vensgebieden waaruit een heel aantal
cultuurvernieuwende impulsen voortkwa-men met wellicht als meest bekende: de
Vrije School Beweging.
Zijn ideeën heeft hij in vele boeken en ca. 6000
voordrachten uiteengezet. De meeste van zijn voordrachten zijn later in boekvorm
verschenen.
Rond
1900 werd hij de voorzitter van de Duitse sectie van de Theosofische Vereniging,
waar hij een belangstellend publiek voor zijn ideeën vond. In deze kring begon
hij zijn voordrachten-activiteiten, waarbij hij echter zijn eigen ideeën en
bevindingen naar voren bracht die in toenemende mate een andere richting
uitgingen dan die welke H. P. Blavatsky voorstond. In 1913 werd hij uit de Theosofische Vereniging gezet
omdat hij de opvatting van Annie Besant, dat Krishnamurti de ‘reïncarnatie
van Christus’, of de ‘nieuwe messias’ was, verwierp. (later bleek dat hij
gelijk had) Zijn volgelingen richtten toen de ‘Antroposofische vereniging’
op waar hij ongehinderd zijn eigen ideeën verder kon uitwerken. Steiner
verwierp namelijk de te eenzijdig Oosterse oriëntatie van de Theosofie en zocht
meer aansluiting bij westerse en Christelijke denkwijzen.
Wat betreft het religieus-mystieke aspect zocht
Steiner meer aansluiting bij het Rozenkruiserdom, het Oer-Christendom (bv. het
Manicheïsme) en het Graals-Christendom.
Ook probeerde Steiner in tegenstelling tot het
anti-wetenschappelijke en asce-tische karakter van de Oosterse mystiek, een ware
synthese te bereiken tussen spiritualiteit en westers-pragmatische
wetenschappelijkheid (weten en geloven!).
In
1913 legde hij de 1e steen voor het Goetheanum in Dornach, wat
voortaan het wereldcentrum voor de Antroposofische beweging zou worden.
Uitgangspunten van de Antroposofische wereldbeschouwing
Rudolf Steiners wereldbeschouwing, door hemzelf:
‘Geesteswetenschap’ ofwel de ‘Antroposofie’ (wijsheid van de mens)
genoemd heeft heeft als uitgangspunt dat de mens en de wereld behalve uit voor
de zintuigen zichtbare materie ook uit voor de normale zintuigen onzichtbare,
geestelijke substantie bestaat dat ahw. vanuit een ‘andere dimensie’ stamt.
Met
andere woorden: Behalve uit een stoffelijk lichaam bestaat de mens ook uit een
onzichtbaar geestelijk iets, kortgezegd: Levenskracht, ziel en geest.
Hetzelfde geldt voor de wereld om ons heen: Behalve
dat er een fysieke, voor de normale zintuigen zichtbare wereld is, is er ook een
onzichtbare, geestelijke wereld, die om ons heen is en in ons werkt. Deze wereld
bestaat uit verschillende niveaus. Er is een wereld van levenskrachten (de
etherische wereld), een zielewereld (de astrale wereld) en een geestelijke
wereld (in vele niveaus).
Voor
de onzichtbare, geestelijke wereld geldt echter dat deze niet alleen uit min of
meer abstracte krachten of substanties bestaat, maar dat deze bevolkt wordt door
reële geestelijke wezens, entiteiten, vroeger ook wel ‘Goden’,
natuurgeesten, Deva’s, elementalen, demonen, duivels, engelen, aartsengelen,
etc. genoemd. (nb. : in deze wereld vinden we ook de gestorven mensenzielen)
Rudolf
Steiner gaat er van uit dat deze wezens werkelijk bestaande entiteiten ofwel
‘intelligenties’ zijn, wier bestaansvorm echter puur geestelijk en als
zodanig voor onze aardse zintuigen onzichtbaar is.
Mensen
die bij voorbaat al het idee verwerpen dat er kabouters, elfen, duivels, Goden
(God) of engelen bestaan kan men erop wijzen dat zij zelf ook geesten zijn, op
dit moment gevangen in een fysiek lichaam, en dat als ze straks dood zijn, zij,
evenals engelen of demonen een geest zonder lichaam zullen zijn die niet
stoffelijk kan worden waargenomen door de levenden. Uit de overstelpende
hoeveelheid materiaal aan ervaringen van mensen met bijna-dood-ervaringen kan
men het feit dat de mens na zijn fysieke dood een bewustzijn heeft en de geest
na de dood zonder het lichaam voortleeft als een gegeven beschouwen.
De
huidige mens heeft momenteel echter niet het vermogen deze geestelijke wezens
waar te nemen omdat de zintuigen om de geestelijke wereld te aanschouwen (lotosbloemen
ofwel chakra’s) op dit moment niet functioneren.
Met
andere woorden: Op dit moment is de mens ‘blind’ voor het aanschouwen van de
geestelijke wereld (en de aldaar levende ‘geesten’, entiteiten, energieën).
Er zijn echter mensen die wèl het vermogen hebben om
de geestelijke wereld te aanschouwen (waar te nemen), doordat hun
‘lotusbloemen’ door het ondergaan van een ‘inwijdingsweg’ weer zijn gaan
functioneren. Zulke mensen worden ‘zieners’, ‘verlichten’ ofwel
‘ingewijden’ genoemd.
-Ook
Rudolf Steiner was een ‘ziener’ ofwel ‘ingewijde’.
De gehele Antroposofie stoelt op het gegeven dat
Steiner in staat was in de geestelijke wereld te schouwen en deze te
beschrijven.
Rudolf
Steiners Antroposofie heeft echter in tegenstelling tot andere vormen van
spiritualiteit als uitgangspunt dat men de geestelijke wereld niet op een
irrationele, gevoelsmatige, religieus-mystieke wijze moet benaderen.
Rudolf
Steiner zocht aansluiting bij de westerse vormen van wetenschap, die zich
baseert op empirisch onderzoek van de waarneembare wereld.
Het
verschil is alleen, dat Steiner ervan uitgaat dat men het wetenschappelijk
onderzoek, die bestaat uit het door nadenken ordenen van waarnemingen, niet
alleen kan toepassen op de stoffelijke wereld, maar ook op de innerlijke, de
geestelijke wereld. Steiner wilde de wetenschappelijke werkwijze van waarne-ming
en denken toepassen op alles wat ‘waarneembaar’ is. Dat wil zeggen: Behalve
op uiterlijke, ook op innerlijke ‘waarnemingen’. Met andere woorden: Ook
innerlijke gewaarwordingen, emoties, gevoelens, gedachten, en voor de ingewijde
of helderziende ook geestelijke gewaarwordingen (het aanschouwen van de
geestelijke wereld) kunnen met dezelfde strenge objectiviteit worden beschreven
en geanalyseerd als waarnemingen van de stoffelijke wereld.
Om
die reden wordt de Antroposofie ook ‘Geesteswetenschap’ genoemd: De
wetenschap van het geestelijke, de geestelijke wereld.
Het
probleem is dat innerlijke, en geestelijke gewaarwordingen door het materialisme
worden afgedaan als ‘subjectief’ en daardoor niet onderzoekbaar.
Volgens
Steiner is het geestelijke, het ‘innerlijke’ even reëel als het
stoffelijke, en indien men het waar kan nemen kan men het beschrijven,
analyseren en onderzoeken. (tot op zekere hoogte)
Wanneer
men Steiners boeken leest (bv. ‘Theosofie’ of ‘Wetenschap van de geheimen
der ziel’) zal men zien dat hij de geestelijke wereld op een even cleane,
droge, klinische en van alle smeuïge subjectiviteit ontdane wijze beschrijft
als een professor in een leerboek over biochemie de verschillende
molecuulverbindingen beschrijft…
Het
verschil is alleen, dat er maar weinig mensen zijn die over de helderziende
vermogens beschikken zoals Steiner ze had, en ook de gemiddelde mens mist deze
vermogens, zodat het moeilijk is om te controleren in hoeverre het correct is
wat Steiner over de geestelijke wereld beweert.
Wij
kunnen wèl controleren of een scheikundige verbinding werkt, maar niet of
hetgeen klopt wat Steiner bv. over engelen en aartsengelen zegt.
In de alledaagse levenspraktijk zijn er echter maar
weinig mensen die door ‘proefnemingen’ de beweringen van de natuurwetenschap
controleren.
95 % van de zogenaamde ‘objectieve wetenschap’
die gemiddelde mensen voetstoots aanvaarden als zijnde ‘objectieve
waarheden’, bestaat uit oncontro-leerbare postulaten van absoluut
onbewijsbare, of door empirische waarne-mingen verifieerbare theorieën, zoals
de evolutieleer, de mens die van de apen afstamt, de ‘oerknal’, theorieën
over atomen, kwantum-mechanica, ‘strings’, etc.
Men beseft niet dat 95 % van de wetenschap in feite een vorm van religie,
een ‘geloof’ in de wetenschap is. De ‘wetenschap’ is als een autoriteit
die door de kleinburger met een onwankelbaar geloof tegemoet wordt getreden als
ware het ‘het ene ware geloof’… Twijfels over de waarde van ‘de
wetenschap’ of ge-vestigde wetenschappelijke opvattingen (bv. de evolutieleer
van Darwin) stuiten vaak op eenzelfde soort verontwaardiging bij de
‘kleinburger’ als bv. een belediging aan het adres van Allah of de Islam bij
een Moslimfundamentalist. ‘De’ wetenschap heeft de plaats ingenomen van wat
vroeger de godsdient was. Wat is ‘DE’ Wetenschap? Men kan de wetenschap niet
als een abstractie, als een realiteit loskoppelen van de mensen die haar
bedrijven. ‘De’ wetenschap bestaat niet. Het enige wat er
bestaat zijn mensen die iets denken en iets beweren…
Met
dit in het achterhoofd zouden wij de Antroposofie van Steiner het beste kunnen
opvatten als een ‘voorlopige werkhypothese’, en afwachten waartoe zijn
inzichten en beweringen ons voeren.
Steiner wilde ook niet dat men hem zou ‘geloven’.
Men moet zo mogelijk zijn bevindingen zelf overdenken, onderzoeken, en verifiëren.
Een
van de methoden om dat te doen (zolang wijzelf nog niet helderziend zijn) is wat
dan genoemd wordt de ‘Goetheanistische fenomenologie’.
Kortgezegd komt het hierop neer dat het niet zo is
dat er een strikte scheiding is tussen de stoffelijke en de geestelijke wereld.
Het geestelijke werkt in het stoffelijke, in de eerste plaats in alles wat leeft
en bezield is, maar in zekere mate ook op de anorganische wereld en menselijke
creaties. Men kan op zo’n wijze naar de wereld leren kijken dat men waarneemt
op welke wijze de levenskracht of de ziel inwerkt in planten, dieren en mensen
of op wat voor wijze bv. de kunstenaar zijn ziel in het kunstwerk heeft gelegd.
Op deze wijze kan men planten, dieren, mensen, maar ook kleuren,
natuurfenomenen, de wind, de zee, wolken, de menselijke psyche, muziek,
architectuur, toonsoorten, volkeren, kunstwerken, kunstperiodes, culturen etc.
leren waarnemen zodat men het we-zen, het geestelijke wat zich erin openbaart,
leert begrijpen en te duiden. In feite kan men de gehele wereld om zich heen op
deze wijze benaderen. In principe doen wij dat ook allemaal al min of meer
onbewust, en veelal zijn de antropo-sofische inzichten over vele dingen vaak
alleen maar een bevestiging van wat men altijd al had aangevoeld of vermoed…
Kortom een bewustwordingsproces.
Dit
is met name ook het belangrijkste verschil tussen de Antroposofie en veel
Oosterse of mystieke richtingen. Deze vertonen meestal een absolute
desinte-resse in de buitenwereld, en gaan alleen maar heel egocentrisch op in
hun innerlijke wereld, hun meditaties en de mooie woorden van hun guru ed. Hoe
het staat met bijenteelt, hoe bomen groeien, wat houtsoorten uitdrukken, wat de
klanken van de taal uitdrukken, wat de toonsoorten in de muziek betekenen,
waarom de planten groen zijn en de lucht blauw zal hen worst wezen…
Volgens
de Antroposofie werkt het geestelijke in alles om ons heen en is ook de gewone
wetenschap (als zij eerlijk en empirisch is) vaak, zonder dat men het beseft,
een manier om in contact te komen met het geestelijke in de wereld…
Een
van de manieren om het verloren contact met de geestelijke wereld weer te
herstellen is om zich bewust te worden van het geestelijke, het gebaar, het
karakter wat zich uit wil drukken in de fenomenen om ons heen. Men kan zich bij
alles afvragen: Wie is dit? Wat wil het mij zeggen?
Voorwaarde
is wel dat men zich ontdoet van subjectieve sym- of antipathieën, en zich
onbevooroordeeld openstelt voor hetgeen wat zich wil uitdrukken. Het
‘subjectieve’ (innerlijke) moet men dus zogezegd ‘objectief’ tegemoet
treden…
(niet: wat vind ìk ervan (vanuit sym- of
antipathie), maar: Wat wil het mij zeggen? wat wil het uitdrukken, welk gebaar,
welk karakter …)
Steiner beschrijft in het boek ‘Hoe verkrijgt men
bewustzijn op hogere gebie-den’ ook de manier om weer helderziende,
helderhorende en heldervoelende vermogens te ontwikkelen. Helaas is dit een zeer
zware en moeilijke weg. Men dient, indien men dat wil, eerst tot meedogenloze en
eerlijke zelfkennis te geraken en vervolgens zijn gehele karakter te
transformeren, alle egoisme te overwinnen, eigenschappen als openheid,
onbaatzuchtigheid, positiviteit etc. te ontwikkelen en allerlei zeer moeilijke
meditaties in gedachten te volvoeren, zijn denken, zijn geheugen,
waarnemingsvermogen te scholen, alle negatieve gevoe-lens te overstijgen zoals
zelfzucht, egoïsme, hoogmoed, angst, twijfel, haat, wrok, frustraties, wensen
en begeerten, etc.
Het
spreekt vanzelf dat het maar weinigen beschoren is om dit alles (in dit leven)
te verwezenlijken.
Uit het oogpunt van wetenschappelijkheid is het voor de gemiddelde
wetenschapper dan ook bijna ondoenlijk om alleen maar ter controle van Steiners
beweringen deze vermogens te ontwikkelen.
Vooralsnog
is de methode van de Goetheanistische fenomenologie dan voorlopig de meest
aangewezen weg om de werkingen van de geestelijke wereld in de wereld om ons
heen te verifiëren…
Volgens Steiner gaat de mensheid als geheel een
ontwikkelingsweg, en evolu-eert de mensheid geestelijk steeds verder, doordat
hij via het gegeven van de re-ïncarnatie zich ieder nieuw leven opnieuw
geestelijk weer een beetje verder kan ontwikkelen. Dat geldt ook voor wat
Steiner in het boek ‘Hoe verkrijgt men’ be-schrijft. Wij krijgen daar nog
vele levens voor om deze vaardigheden te ontwik-kelen. Verder heeft ieder
individueel mens een persoonlijk karma zodat ieder in elk leven weer nieuwe of
andere ontwikkelingsmogelijkheden kan exploreren…
-Tenslotte moet worden gezegd dat in de Antroposofische visie er niet één waar-heid is. Afhankelijk van het gezichtspunt kan men op vele wijzen naar de wereld kijken. In die zin is Antroposofie dan ook zeer flexibel en zeker niet dogmatisch.
Waarom Antroposofie?
Men kan zich dan nog de vraag stellen welk ‘nut’
de Antroposofie heeft.
Indien men de hypothese aanvaardt dat wij omringd
worden door een onzichtbare geestelijke wereld, en wij zelf ook een geestelijk
wezen zijn, gevangen in een stoffelijk lichaam, wat wij echter niet direct waar
kunnen nemen (echter wel in haar werkingen), dan kan men zich voorstellen dat
deze geestelijke wereld ook een belangrijke en essentiële invloed uitoefent op
ons dagelijkse leven. In feite is alles geestelijk, iedere handeling, iedere
gedachte, ieder gevoel, alles wat wij om ons heen zien.
Indien men echter alleen maar rekening houdt met de
stoffelijke buitenkant van de dingen en de mens alleen maar ziet als een
verzameling moleculen zonder bewustzijn, waarbij alles door ‘toevallige’
chemische en natuurkundige reacties wordt bepaald, zodat innerlijke vrijheid
onmogelijk, of op zijn minst een illusie is, dat ons IK-bewustzijn eigenlijk
niet bestaat, dan zal de wijze waarop men in het leven staat en de dingen doet,
die geen rekening houdt met het feit dat geestelijke krachten realiteiten zijn,
op den duur desastreuze gevolgen hebben.
Men
houdt dan geen rekening met reële werkingen van deze krachten, aangezien men er
‘blind’ voor is. Men kan het vergelijken met mensen die bv. niet in staat
zijn om water waar te nemen en een brug willen bouwen over een rivier. Aangezien
men het water niet ziet houdt men geen rekening met de stroming van de rivier,
en de brug zal gedoemd zijn in te storten.
Indien
men geen rekening houdt met de geestelijke werkingen en krachten in mens en
wereld zal dat op den duur lijden tot desastreuze rampen, ziekten,
wantoestanden, en tenslotte de vernietiging van mens en milieu.
Men
ziet dat bv. aan de huidige geneeskunde, die alleen maar de mens ziet als een
chemische fabriek met allerlei stofjes die erin en eruit gaan. Dit leidt tot het
in de geneeskunde alleen maar bestrijden van symptomen in plaats van het
werkelijk genezen zodat de westerse mens nu in een voortdurende zieke toestand
verkeert, die zonder deze symptoombestrijdende ‘medicijnen’ die symptomen
onderdrukt maar niet geneest, tot een ondraaglijk lijden zou zijn veroordeeld…
Men
ziet het aan de landbouw, die met kunstmest en insecticiden de wereld en de
ecologie ten gronde richt, omdat men met het gebruik van kunstmest de plant in
feite ziek en zwak maakt, waardoor deze extra gevoelig wordt voor plagen en
ziekten, die vervolgens weer met insecticiden ed. moeten worden bestreden. Zo
komt men in een neerwaartse spiraal die op den duur (nadat alle insecten
resistent zijn geworden) tot de ondergang zal leiden.
In
het onderwijs ziet men de mens als een soort computer waar men informatie in
stopt. Door het moderne, voor de maatschappij van nut zijnde onderwijs wordt het
kind in zijn wezenlijke (geestelijke) hoedanigheid en zijn wijze van ontwikkelen
niet begrepen, wat er op den duur toe zal lijden dat de mensen die op een
zodanige wijze onderwijs ontvangen ziek, psychisch gestoord, geestelijk verhard
en/of ongelukkig zullen worden en zullen ontsporen…
Rudolf Steiner heeft voor zowat alle levensgebieden
gezichtspunten naar voren gebracht om mens en wereld weer in gezonde harmonie te
brengen.
Men
kan zeggen dat alleen een mens die de Vrije School heeft bezocht kan opgroeien
tot een volwaardig en compleet mens, dat de Biologisch Dynamische landbouw
ervoor zorgt dat de planten en dieren gezond zijn en dat de aarde niet ten
gronde wordt gericht, en dat de antroposofische- en klassiek homeopathische (en
verwante alternatieve-) geneeswijzen in staat zijn de mens werkelijk te
‘genezen’ (in plaats van alleen maar symptomen te bestrijden)…
En
dat geldt wellicht voor alle door de Antroposofie in het leven geroepen
impulsen, bv. : Alleen in een driegelede maatschappijvorm kan de moderne mens
werkelijk gedijen en tot zijn recht komen, etc.
Een
voor iedereen duidelijk zichtbaar symptoom van de dwaalweg van het materialisme
die tot ziekte en ongeluk leidt is de moderne architectuur. Deze architectuur
baseert zich puur op materialistische opvattingen, die geen rekening houdt met
de hoedanigheden van de menselijke ziel, en die de mens alleen maar ziet als een
zak atomen die moet worden opgeborgen in een efficiënt en functioneel gebouw
dat- voldoet aan alle elementaire noodzakelijkheden van het aardse bestaan.
Aan
het feit dat de mens ook een ziel heeft, die alleen werkelijk een mens-waardig
bestaan kan voeren in een omgeving die uitgaat van behoeften die in zijn ziel,
in zijn gevoel leven wordt voorbijgegaan. Zo wordt een totaal zielloze, steriele
en voor iedere gevoelige ziel totaal afstotelijke omgeving gecreëerd, die tot
gevolg heeft dat iedereen die daar moet leven wegkwijnt, afstompt, ongelukkig
wordt, geestelijk verhardt, zenuwziek wordt, aan ‘flatneuroses’ gaat lijden,
of op wat voor wijze dan ook ontspoort… Men kan er als ‘lichaam’ wel
leven, maar voor de ‘ziel’ is het een absoluut vijandige, afschrikwekkende
omgeving die de ziel beschadigt en tot ziekten en ongeluk zal leiden.
Ook
voor de architectuur heeft Steiner nieuwe impulsen gegeven en in de
antroposofische architectuur hebben wij een van de meest evidente voorbeelden
van de gezondmakende, genezende impulsen die van de antroposofie zijn uit-gegaan.
In de Vrije Schoolgebouwen, Camphillgebouwen, en andere organische en/of
antroposofische gebouwen (bv. de Rudolf Steiner-kliniek in Den Haag) zien we op
wat voor wijze gebouwd kan worden zodat een menswaardige leefomgeving kan
ontstaan…
De Akasha-kroniek en de antroposofische Geschiedkunde
Zoals duidelijk mag zijn: Alle inzichten die door
Rudolf Steiner in de Antroposofie zijn geopenbaard zijn ontleend aan zijn
helderziende vermogens en onderzoekingen in de geestelijke wereld. Datgene wat
Steiner vertelt over het verleden en het oerverleden, heeft hij ontleend aan de
zg. ‘Akasha-kroniek’. Dat is het zg. ‘wereldgeheugen’ (wat in de
geestelijke Saturnus-sfeer leeft).
Daar kan een ingewijde alle gegevenheden uit de
(geestelijke) wereld-geschiedenis terugvinden in een soort kosmische
bibliotheek…
Later zullen we deze evolutiefasen nader beschrijven,
vooralsnog is het be-langrijk om te zeggen dat Steiner er vanuit gaat dat de
mens in het oerverleden in eenheid leefde met de geestelijke wereld, zich daarna
(door de ‘zondeval’) ervan losmaakte, en zijn helderziendheid verloor, en in
de toekomst weer opnieuw, op een nieuwe, meer bewuste manier dit contact zal
hervinden.
-We kunnen dat op een meer uitgebreide wijze als
volgt omschrijven:
Door
het ingrijpen van bepaalde geestelijke wezens (gevallen engelen, de luciferische
wezens, kortweg: ‘Lucifer’) ging de mensheid een grotere zelf-standigheid
ontwikkelen: de ‘zondeval’ betekent de ‘val in de afzondering’, waardoor
het IK-vuur kon oplaaien, maar ook het egoïsme en de zelfzucht.
De mens snoerde zich af van de godenwereld, werd
steeds zelfstandiger.
Daarna
grepen andere geestelijke wezens in, Ahrimanische geesten genaamd (kortweg: ‘Ahriman’),
in de evolutie, waardoor de mens zich steeds meer ging richten op de aarde, en
langzamerhand zijn helderziende vermogens verloor.
Deze
werkzaamheid werd steeds sterker en bereikte in de 19e/20e
eeuw zijn hoogtepunt. Door ‘Ahriman’ kon het materialisme ontstaan: de
aardgerichtheid en het vergeten van de goddelijke oorsprong van de mens.
Dit was echter noodzakelijk om innerlijke vrijheid en
zelfstandigheid te verwerven, want alleen de geïsoleerde mens die geen
helderziende ervaringen heeft kan tot volledige innerlijke vrijheid en
zelfstandigheid komen. Daardoor kon men via de wetenschap ook de aarde leren
kennen en veroveren.
Nu
de mens dit langere tijd heeft doorgemaakt komt de tijd dat men mèt het
verworven wakkere, zelfstandige, vrije denken rijp is om op een nieuwe, maar
bewuste, zelfstandige en vrije manier zich innerlijk weer te verbinden met de
geestelijke wereld. Op dat moment kwam Christus als ‘mensheidsaanvoerder’ in
de evolutie om de mensheid de weg te laten zien om op hernieuwde wijze zich
geestelijk weer met de godenwereld te verbinden, wat de mens echter alleen maar
in vrijheid kan besluiten. De vrijheid was noodzakelijk om de mens de kans te
geven de liefdekracht te ontplooien, die men alleen maar in vrijheid
kan ontwikkelen.
Het ware Christendom, het Manicheïsme bv. wordt
‘het Christendom van Vrijheid en Liefde’ genoemd.
Nu de mens zich echter totaal van de geestelijke
wereld heeft afgesnoerd en tot volledige innerlijke vrijheid is gekomen kan hij
ook van deze vrijheid misbruik maken om zijn egoïsme ongelimiteerd te gaan
botvieren.
In deze tijd leven wij nu.
In het verleden werd de mens nog geremd door
tradities, religie, ‘zoals het hoort’, waarden en normen etc. De vrije mens
die ook nog een materialistisch wereldbeeld huldigt en zich van geen enkele uit
het verleden stammende norm meer wat aantrekt kan in vrijheid voor ‘het
boze’ kiezen, wat voor hem ove-rigens toch niet bestaat. Er niets of niemand
is die bepaalt wat goed en kwaad is.
De
‘antimachten’ waren noodzakelijk volgens Steiner om onze vrijheid en
afhankelijkheid van de geestelijke wereld te bewerkstelligen, evenals een kind
op een gegeven moment het huis uitgaat, zijn ouders verlaat om als volwassene
zijn leven op te bouwen, zo moest de mensheid ook volwassen worden en een tijd
lang de geestelijke wereld vergeten teneinde als mensheid ‘volwassen’ te
kunnen worden. We hebben als mensheid de ‘moederschoot’ van de geestelijke
wereld verlaten, het ouderlijk huis. We vinden dit terug in de parabel van de
‘verloren zoon’ uit het Nieuwe Testament.
In deze toestand nu kunnen de ‘antimachten’
buiten hun boekje gaan om te pro-beren hun macht over de mens te behouden. De
ahrimanische wezens willen dat het materialisme blijft voortbestaan, de
luciferische wezens willen het egoïsme zodanig versterken (en de mens in
zichzelf opsluiten) zodat de mens er niet aan toekomt de broederliefde te
ontplooien.
Volgens
Steiner zullen zich nog een derde klasse van boze antimachten hun werkzaamheid
ontplooien, die nu pas, in deze tijd, nu de mens vanuit volledige vrijheid voor
‘het boze’ kan kiezen, hun invloed zullen doen gelden. Deze gees-telijke
wezens worden de ‘Asura’s’ genoemd, en deze hebben als doel de mens zelfs
te vernietigen. Psychopathische lustmoordenaars zijn er een voorbeeld van.
Aldus
ontstaat een strijd om de ziel van de mens.
De antroposofie is gekomen om de mens met behoud van
het vrije zelfstandige denken, weer de weg naar verbinding met de geestelijke
wereld te wijzen, en is daarmee een geestesstroming in dienst van het
Christusprincipe. Deze nieuwe verbinding is noodzakelijk om de cultuurziekte die
door het materialisme en het egoïsme ontstaan is en die zich uit in de vele
problemen en moeilijkheden die de moderne mens ontmoet te helen/genezen.
Wij staan op een tweesprong: Vanuit de vrijheid kan
men kiezen voor het onge-limiteerd botvieren van zijn lusten (zoals een
lustmoordenaar) en egoïsme, of men kan ervoor kiezen vanuit de vrijheid te
streven naar liefde en wijsheid, wat Steiner in zijn boek ‘De filosofie der
Vrijheid’ het ‘ethisch individualisme’ noemt.
Hieronder zullen nog enige gegevenheden van de Antroposofie nader worden belicht. Men moet bedenken dat er verschillende gezichtspunten mogelijk zijn.
Ten
eerste ‘het antroposofisch mensbeeld’, of liever gezegd ‘de verschillende
mensbeelden’. Hoe zit de mens in elkaar qua lichaam, ziel en geest ed. ?
-In de Antroposofie is het namelijk mogelijk om naar de mens te kijken vanuit verschillende spirituele ‘mensbeelden’: het 1-, 3-, 4-, 7- en 9-ledig mensbeeld!
Het fysieke lichaam: Dit is de pure materie, de stof, het met de normale
zintuigen zichtbare stoffelijke lichaam, het minerale in de mens. Het stoffelijke
lichaam is vooral verbonden met het aarde-element. Ook het minerale rijk, de
stenen, metalen, kortom de aardse en niet-levende wereld van de door de na-
tuurkunde beschreven stoffen, ook in vloeibare, gasvormige en energetische
vorm behoren tot deze ‘dode’ wereld. Het aards-minerale verbindt zich vooral
met de stof kiezel, wat de basisstof is voor zand en stenen (de aardkorst) etc.
Het Levenslichaam: Het voor de aardse zintuigen onzichtbare krachtencom-
plex dat het vegetatieve leven van het fysieke lichaam verzorgt en bewerkstelligt
en ahw. de onzichtbare ‘architect’ van het stoffelijk lichaam is, wordt het levens-
ofwel etherisch lichaam genoemd. Het is het plantaardige aspect in de mens, sa-
menhangend met groei en ritmen. Het levenslichaam is tevens de opslagplaats
van ons geheugen. Overigens: het IK heeft ethersubstantie nodig om te kunnen
denken, en om te kunnen waken (het denken maakt gebruik van ‘lichtether’, een
van de 4 ethersoorten). Het etherische lichaam is sterk verbonden met het water-
element, wat überhaupt essentieel is voor al het plantaardige (het plantenrijk).
Met name zuurstof (O) is de drager van het leven. De bewustzijnstoestand van
het etherlichaam zelf is onbewust. Ze vertoeft in een slaapbewustzijn, evenals
de Planten want deze bestaan alleen uit een stoffelijk- en een levenslichaam.
Het Astraallichaam: Het astraal- ofwel zielelichaam is de drager van de ge-
waarwordingen, belevingen, gevoelens en emoties. Voor zieners is het astraalli-
chaam zichtbaar als ‘aura’. Het leeft vooral in sym- en antipathie. Het as-
traallichaam is vooral verbonden met het luchtelement. Het vertegenwoordigt
het dierlijke in de mens. Met name stikstof (80% vd. lucht!) heeft affiniteit met
het astrale. Alle bezielde wezens (mens en dier) bestaan uit eiwitten, en dat zijn
Nitraatverbindingen (stikstof = N). De bewustzijnstoestand van het astraalli-
chaam is halfbewust, men zou kunnen zeggen dat het in een droombewustzijn
leeft, evenals dieren, die immers bestaan uit fisiek-, levens-, en astraallichaam.
Het Ik: Het ‘IK’ is de essentie van ieder menselijk individu. Hier leeft de pure
activiteit en het IK bedient zich van de zielefuncties: denken, voelen en willen.
Dankzij het Ik kan de mens zelfstandig denken en innerlijke vrijheid ervaren.
Dankzij het IK is de mens in staat tot verantwoordelijkheid, tot nadenken en
heeft behalve bewustzijn ook een zelfbewustzijn. Bewuste herinneringen kan het
IK uit het (onbewuste) geheugen putten. De bewustzijnstoestand van het IK is
(of kan zijn) bewust, wakker en wakend. Het Ik is datgene wat zich ontwikkelt
en reïncarneert. Het Ik heeft affiniteit met, ofwel het leeft in vuur en warmte.
De stof waarin het IK zijn stoffelijke aangrijpingspunt kan vinden is Koolstof
(C). Het leeft in de warmte van het bloed met als centrum het hart als Ikorgaan.
Het ‘Ik-denk-punt’ in de mens is het voorhoofd (direct boven de neus).
Alleen de mens ‘heeft’, of liever gezegd IS een IK._____________________________
Samenhangen
met het 4-ledig mensbeeld en de 4 elementen
Vanuit het 4-ledig mensbeeld (de 4 wezensdelen) kan men weer vele linken
leggen met andere gebieden, zoals de 4 elementen, 4 aggregatietoestanden, de 4
natuurrijken, en allerlei andere zaken die in een 4-heid zijn geordend, zoals de 4
temperamenten, jaargetijden, kleuren, intervallen, de plant, etc. :
aarde
(vast)
water (vloeibaar) lucht
(gasvormig) vuur/warmte
stoffelijk lichaam etherlichaam astraallichaam Ik
minerale rijk plantenrijk dierenrijk mensenrijk
Ook de volgende samenhangen kan men vanuit het 4-ledig mensbeeld onder-
scheiden, de 4 temperamenten en hun karakteristiek, wat ook samenhangt met
de 4 wezensdelen en met bepaalde organen of gebieden van het lichaam.
Van daar uit kan men ook weer zien dat bepaalde diergroepen zich op deze or-
ganen specialiseren en derhalve ook met een dergelijk temperament zijn behept,
zoals flegmatische runderen met het stofwisselingsgebied, sanguinische knaag-
dieren met het zenuwstelsel, cholerische roofdieren met het ritmische systeem.
Men kan dan ook weer denken aan het element waarmee bepaalde diergroepen
verbonden zijn, zoals vogels met de lucht, vissen met het water, de gelijk stenen
verharde en verstarde reptielen met de aarde (bv. de schildpad) etc.
Aarde
Water
Lucht
Vuur / Warmte
stoffelijk lichaam etherlichaam astraallichaam IK
melancholisch temper. flegmatisch temp. sanguinisch t. cholerisch t.
=zwaarmoedig, verstard =gemoedelijk =luchtig =vurig
skelet
stofwisselings-
longen
bloedsomloop
organen, vloei- ademhaling
warmte-hart
stoffen etc.
zenuwstelsel
bloed
reptielen (aarde) vissen (water) vogels (lucht)
hoefdieren knaagdieren roofdieren
Ook kan men zien dat de 4 jaargetijden een duidelijke affiniteit hebben met de 4
elementen, wat ook weer ten nauwste samenhangt met aspecten van de plant die
in dit jaargetijde in hun ontwikkeling benadrukt worden. In de winter is alles
versteend. Het meest aards-minerale aan de plant is wortel en stam. In de winter
zien we veelal kale takken zonder bladeren en bloemen. In de lente komt mees-
tal eerst de bladontwikkeling op gang, verbonden met het waterelement. Vervol-
gens, in lente en zomer, onder invloed van het toegenomen licht ontplooien zich
de bloemen, die de meeste affiniteit met de lucht-lichtwereld vertonen. Daarna
volgt in het najaar (soms ook eerder) de vrucht- en zaadvorming waarin alle
opgespaarde warmtekrachten van de zomerse warmte zich concentreren in het
zaad. (op het schematje staan ook de kleuren die bij de 4 elementen horen)
Aarde
Water
Lucht-licht
Vuur / Warmte
winter lente zomer herfst
wortel, stengel, stam blad bloem vrucht-zaad
zwart, bruin, blauw groen (blauw-groen) geel-oranje (wit/goud) rood
Er is een samenhang tussen de 4 elementen en de etherische wereld. In deze
etherische wereld zijn er volgens Steiner 4 soorten ether-substantie, die weer
samenhangen met de 4 elementen. De plant hangt in zijn beschreven 4-ledigheid
ook weer samen met deze 4 ethersoorten. Het blad heeft bv. de meeste affiniteit
met de chemische ether, de bloem met lichtether, het zaad met warmte-ether.
Volgens Steiner zijn er 4 soorten elementenwezens die een sterke affiniteit
hebben met deze 4 elementen, bv. gnomen (kabouters) zijn aardgeesten, nymfen
(zeemeerminnen) zijn watergeesten, elfen/sylfen zijn luchtgeesten, salamanders
of Djins zijn vuurgeesten. Deze 4 soorten elementengeesten zijn wezens, die
leven in de etherische wereld en die sterk verbonden zijn met de natuur en met
name de plantengroei. Zij leven ieder in een bepaalde ethersoort en beïnvloeden
de plantengroei met deze ethersoorten. Zo stuwen de aardgeesten of wortelgees-
ten met levensetherkracht de plant vanuit de aarde omhoog in het vroege voor-
jaar, de water- of bladgeesten helpen de bladeren zich te ontplooien met chemi-
sche ether, de lucht- of lichtgeesten brengen de lichtether naar de bloemen zodat
deze zich kunnen ontplooien, de vuurgeesten helpen met warmte-ether mee aan
de vrucht- en zaadvorming van de planten.
Steiner beschreef dit uitgebreid in de prach-
tige voordrachtencyclus: ‘De mens als
klankharmonie van het scheppende wereldwoord’.
aarde water lucht vuur/warmte
levensether chemische ether lichtether warmte-ether
vormether klank-/getalsether
gnomen/aardgeesten waternymfen elfen, sylfen vuurgeesten/djins
kabouters, kobolden zeemeerminnen luchtgeesten salamanders,
wortel, stengel, stam blad bloem vrucht-zaad
(winter-lente) (voorjaar) (lente-zomer) (zomer-najaar)
In het klimaat van Europa kan men zien dat de 4 elementen een rol spelen in de
verschillende windstreken en klimaatzones. Dit heeft ook weer een weerslag op
de verschillende volksaarden die verbonden zijn met deze klimaatzones.
In het koude hoge Noorden met de koude en lange winters, sneeuw en ijs en in
het Noordoosten, Rusland, met het onbarmhartige landklimaat overheerst het
aarde-element. Hier vinden we donkere en sombere naaldwouden. De mensen
die in dit klimaat leven, de Scandinaviërs en de Russen neigen naar het melan-
cholische temperament, wat zich ook in hun kunst en muziek uitdrukt, bv. de
zware en melancholische muziek van Sibelius (Finland), de depressieve en me-
lancholieke muziek van Arvo Pärt, Gorecky (bv. 3e symfonie), Sjostakowitsj etc.
In het Westen en Noordwesten vinden we de Atlantische oceaan met haar met de westenwind meedrijvende depressies (regenwolken). Hier vinden we het zee-klimaat van Holland, Noord-Frankrijk en Engeland dat alles gelijkmatig maakt. De volkeren hier neigen naar het flegmatische temperament, de ‘doe maar ge-woon’-Hollanders met hun polders en moerassen en de weilanden met koeien, de onverstoorbare Engelsen met hun eeuwige regen en hun theekransjes.
Ook in hun kunst weerspiegelt zich iets van dit water-element, zoals in het Impressionisme van Monet en Debussy (la Mer, Nuages), de rivierlandschappen en wolkenpartijen van Ruysdael, de vrede en berusting van Vaughan Williams.
In het Zuiden en zuidwesten, met name (Zuid-)Frankrijk en Italië vinden we een
toename van de warmte en licht. Van Gogh ging hier naartoe om de zonnekracht
en het stralende licht en energie vast te leggen. De stralende zonnebloemen, de
korenvelden, wijnvelden en bloeiende lavendelvelden. De volkeren neigen hier
meer naar het sanguinische temperament. De Fransen met hun ‘du vin, du pain,
du boursin’, het ‘leven als god in Frankrijk’, de eeuwige charme van de ondeu-
gend flirtende en wijndrinkende Fransman met zijn ‘joy de vivre’, en de vrolij-
ke Italianen met hun vrolijke, zonnige operadeuntjes van Verdi en Donizetti die
altijd in een huppelende en dansende ¾- en 6/8-maat staan. Hier leeft de dans-
muziek en de luchthartigheid in de muziek. De Italianen met hun tarantella’s en
siciliano’s. Ook de gemoedelijke Zuid-Duitsers en Oostenrijkers vinden we hier
met hun hemelse kind Mozart, de vrolijke klassieke muziek van Haydn, Mozart
& Schubert, de Weense walsen van Johann Strauss, hun liefde voor rococokunst.
In het Zuiden, Zuidoosten en Oosten vinden we het warme subtropische klimaat van de mediterrane streken met hun eeuwige bosbranden, de vurige Spanjaarden, Italianen, Balkanvolkeren en Grieken met hun bloedwraak, hun vurige, snelaangebrande temperament, wat zich ook in de kunstvormen kan uitdrukken: De woeste Balkanritmen van Bartok en de Bulgaarse muziek met hun vrouwenkoren met hun rauwe snerpende stemmen, de Hongaarse poesta, de hartstochtelijke zigeunermuziek, en meer in het Oosten: de te paard door de vlakten stormende kozakken en de woeste ritmen en de agressie in de muziek van Borodin (Polowetzer dansen), Rimsky Korsakow (Sheherazade), Tsjaikowsky, Prokofief (Skytische suite), Sjostakowitsj, als nawerking van de laatste Mongolenstorm, de wilde Tatarenhorden. Ook onze Oosterburen, de Duitsers neigen naar het cholerische temperament met hun Beethoven en Wagner, hun dominante, aanmatigende karakter en de hartstochtelijke Duits-romantische muziek en kunst.
Natuurlijk zijn dit alles generalisaties en vinden we eindeloos veel combinaties en overgangen, maar duidelijk mag zijn dat het klimaat van invloed is op het karakter van een volk. Wie meer dan een half jaar in duisternis en kou moet leven en zich dan binnenshuis moet opsluiten, zoals in Noordscandinavië zal er wellicht niet vrolijker op worden, en wie een groot deel van het jaar van het licht en stralende zonneschijn kan genieten en zijn leven voornamelijk buitenshuis op pleinen en straten laat afspelen zal wellicht een zonniger instelling ontwikkelen.
aarde (=kou) water lucht-licht vuur/warmte
Noord-Oost Noord-West Zuid-West Zuid-Oost
Poolklimaat (sneeuw & ijs) zeeklimaat (regen) gematigd klimaat, subtropisch klim.
Noordelijk landklimaat gematigd klimaat licht subtropisch zuidelijk landkl.
Naaldbossen,
taiga loofbossen,
water bloemenvelden struiken, gras,
Scandinavië,
Rusland,
Holland, Noord- (Zuid-)
Frankrijk Spanje, Italië, de
Siberië, Finland, IJsland
Frankrijk, Enge-
Oostenrijk,
Balkan, Griekenl.
Nova Zembla, Noord-
land, Ierland
Italië, Beieren
(Zuid-)Rusland
pool, Groenland Denemarken
(Polen)
Duitsland, Hong.
Sibelius, Pärt, Gorecky Debussy, Fauré Mozart, J. Strauss Bartok, Beeth. ,
Sjostakowitsj, Tsjaikowsky Monet, Ruysdael Rafael, Verdi Tsjaikowsky
Ook kan het 4-ledig mensbeeld in verbinding worden gebracht met aspecten van de muziek, met name de intervallen en muzikale (harmonische) functies, de 4 tonen (het tetrachord C-D-E-F) vanuit de C die voor de aarde staat, de 4-delig-heid van de symfonie, instrumentengroepen, etc.
De C als priem en grondtoon staat voor de aarde, het fundament, het stoffelijk lichaam. De priem drukt het stampen op de aarde uit of ook wel verstarring en verstening. Muziek in C is vaak muziek die stampt op de aarde… De priem, de herhaalde grondtoon horen we vaak in treur- en begrafenismarsen, waarbij we herinnerd worden aan het lijk in de kist die in de aarde zal worden neergelegd…
De D en de grote secunde C-D staat voor het leven, het levenslichaam en het waterelement. De secunde is bij uitstek het bewegingselement van de muziek, waarmee men ook stromend water kan uitdrukken, zoals in veel Barokmuziek of bv. het begin van de Moldau van Smetana. In het Impressionisme drukt de grote secunde in de hele-toons-toonladder bij uitstek de mysterieuse natuurkrachten (etherische krachten) uit die achter de wind en het water werken. In ‘La Mer’ en ‘Sirènes’ van Debussy vinden we uitsluitend heletoons-motieven.
Muziek in D is vaak beweeglijk en speels. Het hoort ook typisch bij de altijd bewegende Jubelstukken in D uit de Barokperiode (vooral bij Bach), zoals Hosanna’s en Gloria’s ed. (bv. 1e deel Weihnachtskantate – Bach) (soms pastoraal)
De E en de terts C-E staat voor het astrale, het gevoel. Met de grote- en kleine terts kan men majeur en mineur uitdrukken (het toongeslacht), ofwel vrolijk-droevig, sym- en antipathie, wat eigen is aan het astrale en emotionele. Drieklanksbrekingen, tertsen dus, zijn kenmerkend voor de vrolijke en luchtige, sanguinische klassieke muziek, bv. Mozart, zowel in de begeleiding (Albertibas) als in de melodie (bv. ‘sonate facile’ van Mozart) (zie ook bv. ‘Die schöne blaue Donau’ van J. Strauss).
De F en de kwart C-F, of beter: G-C drukken het Ik, de IKvonk uit. De kwart klinkt als een wekroep: Ontwaak! Het militaire trompetsignaal. De Marseillaise bv. Veel thema’s van Beethoven (bv. 5e pianoconcert) en Wagner (het Siegfried-thema en andere thema’s uit ‘der Ring des Nibelungen’ bv.) beginnen met een stijgende kwart.
In de instrumentengroepen ontwaren wij een affiniteit tot de 4 elementen en de 4 ‘natuurrijken’.
Het koper is gemaakt van metaal, uit de minerale wereld, en zij klinken het meest hard, en onverbiddelijk. Met name de trombone drukt ‘de dood’ uit, de wereld van de rotsen en bergen, de machtige makrokosmische dode natuur…
Het koper neigt ertoe veel priemen te spelen: Retteketet en hoort bij de op de aarde stampende marsmuziek ed.
In houten blaasintrumenten, gemaakt uit de plantenwereld, klinkt de wereld van de natuur door. Pastorale scènes, vogelgeluiden, de herder met zijn schal-mei, de panfluit, Orpheus, pastorale taferelen, stromende beekjes en groene bos-sen ed. Hier worden we meer met het etherische element geconfronteerd, de ma-gie van de fluit in het impressionisme van Debussy (Syrinx, l’après midi d’une faun) en Ravel (de beroemde fluitsolo uit Daphnis et Chloé), de wereld der na-tuurgeesten, nimfen, elfen, Ariël, de elf uit ‘the Tempest’ (Sibelius’ toneelmu-ziek), de hobo als herdersfluit en de althobosolo uit Debussy’s ‘Nuages’, etc.
Strijkers worden behalve uit plantaardig ook uit dierlijk materiaal gemaakt: Kattendarmen en paardenhaar. Ook door zijn meer mensachtige vorm is de viool en de cello bij uitstek het instrument om het menselijke gevoel te vertolken, wat op een verbondenheid met het astrale duidt. Lyrische stemmingen, zangerige melodieën die romantisch liefdesverlangen uitzingen, maar ook angstwekkende tremoli, een enorme veelheid aan zieleroerselen vermogen de strijkers te vertolken, smart en pijn, humor, etc.
De menselijke stem is gemaakt van menselijke substantie en is het meest in-tiem-menselijke instrument. Horen wij zingen, dan worden we direct geconfronteerd met het menselijke, met een mens, een persoon, een IK.
In de 4-deligheid van de symfonie vinden we deze dingen vaak tezamen.
Het 1e deel staat vaak voor het noodlot, wat samenhangt met de melancholie, het idee van de dood als afschrikwekkend gegeven. (aarde, stoffelijk lichaam)
De aarde is verbonden met de zwaarte, met de dalende melodie, die het noodlot uitdrukt, de dood, en in mineur staat. Vaak vinden we dalende hoofdthema’s (5e / 9e Beethoven, 4e Bruckner: Het 2e hoofdthema –trombones) of door koper ge-speelde hoofd-thema’s (3e, 4e, 9e Bruckner, 4e Tsjaikowsky, 3e , 5e, 7e Mahler) die ofwel dalen (3e / 4e Bruckner, 4e Tsjaikowsky, 7e Mahler) ofwel hameren op de priem (1e, 2e, 8e, 9e Bruckner, 4e Tsjaikowsky, 3e / 5e Mahler).
Vaak ook een onbarmhartige winterstemming (2e , 3e Mahler).
Kenmerkend is de 4/4-maat als meest aardse, natuurlijke maatsoort. Vaak vinden we dan ook Marsen of treurmarsen, dodenmarsen in het 1e deel (5e, 6e, 7e Mahler, 1e Bruckner, 5e Tsjaikowsky)...
Het langzame deel vertoont affiniteit met het flegmatische temperament, met het stromende element van het water en het verwijlen in de natuur, die als kenmerkende eigenschap de vredige rust vertoont (bv. Szene am Bach-6e Beethoven). Mooi klinkt wat dat betreft de althobo-solo in Dvoracks 9e symfonie.
Bij Bruckner vinden we in de 2e reprise van het hoofdthema (in de ABABA-vorm) vaak water-achtige begeleidingsfiguren (grote secundes !).
Het scherzo vertoont affiniteit met het lucht-element, met het speelse en sanguinische temperament, wat is verbonden met de humor. Meestal in een dansende ¾-maat, wat een luchtige maatsoort is, kenmerkend voor de zuidelijke muziek (Italië, Weense walsen). Meestal de ironie van het noodlot, het noodlotsthema uit het 1e deel wat tot vrolijke parodie of karikatuur wordt omgetoverd… (zoals in de 5e en 9e Beethoven, 3e, 4e, 9e Bruckner)
De finale kenmerkt zich door hemelbestormende vurigheid. Het drukt het IK van de mens uit, de godsvonk, de hemelbestormer, de held in de mens, die niet zal rusten voor hij al strijdend en strevend zijn hoogste doel heeft bereikt. In de finale wordt het Noodlot en de dood van het 1e deel overwonnen, wat verwijst naar de Christus- en opstandingsthematiek. Vooral in Brucknersymfonieën is dit zeer duidelijk, waarbij we vaak octaventhema’s aantreffen, het IK-interval.
Beethoven riep in de finale van de 9e symfonie de menselijke stem te hulp om ook in de instrumentatie uit te drukken dat het om het goddelijke IKvuur ging, om het menselijke in de mens, om het hogere en goddelijke in de mens die streeft naar vrijheid, gelijkheid en broederschap. ‘Alle mensen worden broeders’ luidt de tekst. In de finale worden de terneerdrukkende krachten van het 1e deel overwonnen, de overwinning ofwel de ‘opstanding’ drukt de triomf van het hogere over het lagere uit, de overwinning van de geest over de stof….
Mahler volgde het voorbeeld van Beethoven door in de 2e, 3e en 4e symfonie in de finale ofwel 4e deel (3e symfonie) de menselijke stem te hulp te roepen.
Aarde
water
lucht
vuur
stoffelijk lichaam levenslichaam astraallichaam IK
priem/grondtoon secunde, stromen terts, gevoel kwart, wekroep
C C – D C – E (Es) C - F / G-C
1e
deel Adagio/Andante
Scherzo
Finale
duisternis---------------------------------------------------------licht
zwaarte-------------------------------------lichtheid
4/4maat-------------------------------------3/4maat
mineur-------------------------------------------------------------majeur
dalend thema-----------------------------------------------------stijgend thema
koper
hout
strijkers
Vocaal
Noodlot, dood hoop, streven humor, ironie strijd, opstanding
Ik heb mij deze uitwijdingen gepermitteerd om de lezer te laten zien dat het 4-ledig mensbeeld (evenals de andere mensbeelden) vele verbluffende samen-hangen met dingen in de wereld vertoont, en deze voorbeelden zullen het begrip voor het 4-ledig mensbeeld ook wellicht verlevendigen !
__________________________________________________
Het
negenledig mensbeeld
Het Ik incarneert in de lichamelijke wezensdelen en vormt in verbinding met:
Het astraallichaam: De gewaarwordingsziel: Dat deel van de ziel dat zich gevormd heeft aan het directe waarnemen en gewaarworden (en het ook meestal, emotioneel, spontaan reageren op de buitenwereld); (extravert; gepassioneerd)
Het etherlichaam:
De Verstands-gemoedsziel: dat deel waarin gevoelens spelen die
door waarnemingen worden opgeroepen, alsook de gedachten die naar aanleiding
hiervan gevormd worden. (evenwicht tussen denken en voelen)
Het stoffelijk lichaam: De Bewustzijnsziel: dat deel van de ziel dat vanuit de geest ofwel het ‘IK’ betrokken is bij gedachten, gevoelens en waarnemingen. In deze wisselwerking ontvonkt het individuele bewustzijn omtrent waarnemingen en het zelfstandig oordeel. (afstandelijkheid en sterk zelfbewustzijn; objectief observeren van de buitenwereld)
De
Ziel bestaat
uit een gedifferentieerd spel tussen het etherische en astrale lichaam, oneindig
complex en gevarieerd en daardoor als het ware een groot vrijheidsgebied. Hierin
kan zich het individu (het IK) ontwikkelen.
Door
de innerlijke scholing (van en door zieleprocessen) kan het IK het astrale
lichaam (deels) omvormen tot Geestzelf. Dit gebeurt als het
astrale lichaam ofwel het bewustzijn tot kelk wordt waarin het ‘IK’ de
geestelijke wereld kan waarnemen in beelden (als een soort levend schilderij).
Dit heet Imaginatie ofwel schouwen. Let op: zien en begrijpen is
niet hetzelfde. De transformatie van het astraallichaam tot Geestzelf ofwel
Manas betekent in feite dat het IK ahw. ‘de baas’ wordt over het
astraallichaam. Men wordt zich bewust van zijn gevoelens en men gaat ahw. zelf
bepalen wat men wilt voelen. Gevoelens zijn dan niet meer spontane,
onvrijwillige en oncontroleerbare oprispingen van emoties als reacties op
impulsen van buitenaf, maar de mens zèlf wordt verantwoordelijk voor wat men
wil voelen. De mens die zover komt zal vanuit zijn hart een grote liefdekracht
gaan uitstralen, zodat in toekomstige gemeenschappen waarbij grotere groepen dit
ontwikkeld hebben een cultuur van ‘broederliefde’ zal kunnen ontstaan, zoals
Steiner al voor de toekomstige Russisch-Slavische cultuurperiode heeft
voorspeld, als het tijdperk van het ware, het Christelijke communisme zal
aanbreken. Ook Christus (en andere ingewijden) straalde een enorme liefde uit
vanuit zijn Manas/geestzelf, en wel zodanig, dat iedereen die hem tegenkwam ahw.
‘verliefd’ op hem werd…
Ook is het astraallichaam de substantie van onze
dromen en de beelden van onze fantasie en ons voorstellingsvermogen. We
‘zien’ als we dromen bv. in beelden. Deze beeldsubstantie zal, als men het
astraallichaam transformeert tot geestzelf, worden omgevormd tot de objectieve
beelden van datgene wat er in de geestelijke wereld te aanschouwen valt…
In de toekomst kan door de scholingsweg het etherisch lichaam (deels) wor-den omgevormd tot Levensgeest (Boeddhi). Dit gebeurt als het ‘Ik’ in de levensprocessen kan meevoelen en meebewegen, en zo erin waarnemen. Dit heet Inspiratie en leidt enerzijds tot werkelijk begrip van geestelijke waarnemingen, anderzijds tot het vermogen mee te doen en te sturen met levensprocessen. Dit alles zal met name via het kunstzinnige mogelijk zijn. Wanneer men via ‘inspiratie’ de geestelijke wereld ‘aanschouwt’ komt men met deze wereld op een dieper niveau in contact, wat betekent dat men tot het geestelijk horen van de wereldmuziek en de wereldspraak kan komen. De harmonie der sferen en het ‘goddelijke woord’ zullen geestelijk ‘hoorbaar’ worden. Ingewijden die dit reeds ontwikkeld hebben kenmerken zich erdoor dat er van hen een enorme vitaliserende levenskracht uitgaat, zoals dat ook met Christus het geval was. Wie met zijn Boeddhikracht in aanraking kwam ervoer een genezende impuls in zijn eigen levenslichaam stromen zodat de zieken genazen, de blinden weer konden zien en de lammen konden lopen. Ook zo iemand als Bruno Gröning had waarschijnlijk deze Boeddhikracht die van hem uitstroomde zodat alle zieken spontaan genazen die in zijn buurt kwamen. Men kan zich voorstellen dat iets dergelijks gebeurt bij gebedsgenezingen, omdat de zieke gelovigen zich openstellen voor de uit de geestelijke wereld of van Christus zelf uitstromende Boeddhikrachten.
Tenslotte
kan de mens in de verre toekomst door de scholingsweg ook nog het fysieke
lichaam (deels) als geestelijk-fysiek lichaam realiseren. Dit wordt de
Geestmens (Atman) genoemd. Het heeft te maken met de
daadwerkelijke realisatie van idealen (wilsstrevingen), door het ‘Ik’ gezien
als de zin van een door hem beoogde ontwikkeling. Dit heet Intuitie en
kan zich enerzijds uiten in een helder weten, anderzijds in handelend optreden
vanuit de geest ofwel (witte) magie. Deze ‘intuitie’ bewerkstelligt in het
helderziende schouwen (horen) een nòg diepere en intensere verbondenheid met
het andere geestelijke wezen, zodat men kan spreken over een geestelijke
eenwording ofwel versmelting met het andere wezen. Men ziet (aanschouwt) het
niet alleen maar, men hoort het niet alleen maar, men ‘wordt’ het andere
wezen (de totale identificatie). Dit kan men dan ook als de ultieme vorm van de
werkelijke ‘Christelijke liefde’ opvatten…
De transformatie van het stoffelijke lichaam tot het
Atman, de Geestmens vin-den wij terug in het Nieuwe Testament als er gesproken
wordt over de ‘opstan-ding uit het graf’ van Christus op Paaszondag. Het is
de ultieme overwinning van de geest op de materie…
N.B.
dit zijn wèl ontwikkelingswegen die tot in de verre toekomst reiken.
(deze teksten zijn gedeeltelijk overgenomen van de Esoterische Appendix van Bruisvat met enige aanvullingen)
_____________________________________________________________
Een van de meest belangrijke en fundamentele ideeën samenhangend met de menselijke psyche is de antroposofische visie op de drie zielekrachten, denken, voelen en willen (begeren) die zich volgens Steiner ieder met een bepaald orgaansysteem verbinden:
verbinden zich met:
zenuw-zintuig- ritmische
systeem stofwisselings-/
stelsel: hoofd / hart,
longen,
ledematenstelsel
zenuwcentra bloedsomloop
geslachtsorganen
In feite kunnen we deze indeling van de menselijke ziel in bijna iedere psycho-logische visie op de mens terugvinden, alleen dan in andere bewoordingen, bv. in de leerpsychologie spreekt men over cognitief (denken), affectief (voelen), en psychomotorisch (willen/doen) leren.
Ook kan men de link leggen met de opvatting van Freud
over de menselijke ziel.
Dit ligt echter weer wat ingewikkelder, want nu
moeten we een uitstapje maken naar het 3-ledig mensbeeld als bestaande de
mens uit lichaam, ziel en geest.
In het negenledig mensbeeld konden wij zien dat we 3
lichamelijke-, 3 ziele- en 3 geestes-wezensdelen bezitten.
Vanuit dit 9-ledig mensbeeld kan men zich afvragen:
Wat is nu het IK ?
Steiner plaatst het IK in het 7-ledig mensbeeld
op de plaats van de 3 ziele-wezensdelen, aldus: Stoffelijk lichaam,
etherlichaam, astraallichaam, Ik, geestzelf, levensgeest, geestmens.
Het Ik
is datgene van de mens wat weliswaar ons eeuwige IKpunt is, maar wat voortdurend
verandert en in ontwikkeling is. Het eeuwige IK in de mens leeft in feite in het
geestelijke, maar dit geestelijke is bij de mens nog maar in kiemvorm
ontwikkeld. Men kan zeggen, het IK is de ‘geestkiem’, ofwel: Het IK draagt
de geesteswezensdelen als kiem in zich. De mens zal een steeds groter
zelfbewust-zijn ontwikkelen naarmate hij zijn geestelijke wezensdelen verder
ontwikkelt, of zich ervan bewust wordt. Dit geestelijke Ik kunnen we ons
‘hogere Ik’ noemen, die op dit moment nog in een sluimertoestand leeft. We
kunnen het ervaren als ‘de stem van ons geweten’, want zoals het spreekwoord
zegt: Het geweten is ‘de stem van god (het goddelijk-geestelijke) in de
mens’, want ‘God’ is identiek aan ‘Goed’…
Het
IK wordt voor het eerst een beetje bewust van zichzelf als hij incarneert in het
astraallichaam en samen met deze de gewaarwordingsziel vormt. Het nu nog
onbewuste hogere IK heeft vooralsnog de lichamelijke wezensdelen nodig om van
zichzelf bewust te worden op lichamelijk niveau. Het op dit niveau met behulp
van het lichaam wakker geworden IK kan men dan het ‘lagere IK’ noemen. Als
het dan vervolgens de verstandsziel en dan de bewustzijnsziel vormt wordt het Ik
langzamerhand steeds bewuster van zichzelf en gaat het in zijn bewustzijn meer
en meer het ware, het goddelijke IK benaderen dat in zichzelf leeft. In de
Bewustzijnsziel is het IK het meest wakker geworden op zieleniveau, en nadert
het hogere Ik. ‘Ik word mij steeds meer bewust van mijzelf’ zou je kunnen
zeg-gen, het ‘IK-ben-IK’. Men nadert steeds meer datgene wat men IS, niet
wat men ‘heeft’… Datgene wat IS, is eeuwig, het is het eeuwig –
goddelijke in de mens. Alles wat op zieleniveau staat is echter nog veranderlijk
en gevangen in het web van ruimte en tijd, zodat men de ene dag nog verliefd was
op Truus en de volgende dag Hermien weer het einde vond. Is Truus of Hermien
daarmee veranderd? Nee: IK ben veranderd. Het lagere Ik beleeft zichzelf
weliswaar als IK, maar nog niet als het ‘eeuwige IK’, omdat het van dag tot
dag, van jaar tot jaar een ander beleven van de wereld heeft. Het jongetje van 4
beleeft de wereld totaal anders als de jongeling van 18 en deze weer totaal
anders als de grijsaard van 70. Toch is er ‘iets’ wat hetzelfde gebleven is,
want ondanks alle verschillen heeft hetzelfde ‘IK’ alles meegemaakt wat
tijdens dat leven gebeurt is…
Wat is datgene dan?
Wanneer
men naar het 3-ledig mensbeeld gaat kijken zegt Steiner in het boek
‘Theosofie’ dat de vraagstelling van ziel en geest een andere is. Vanuit de
geest kijkt men ‘objectief’ naar de wereld. Men vraagt zich af wat de
eeuwige wetten zijn die men in het universum aantreft. Men ziet het ontstaan en
vergaan van een roos, en men weet dat er een ‘eeuwig idee’ van de roos is,
die, ook als de roos is vergaan, er nog is en weer nieuwe rozen zal creëren. De
vraag van de geest is naar het wezen der dingen, het eeuwige wezen der dingen.
De vraag van de ziel is niet: Hoe IS het, maar: Wat
vind IK ervan? De ziel is dus subjectief, het stulpt zijn eigen oordeel over het
ding uit, en kleurt de wereld op een subjectieve wijze naar zijn eigen aard en
karakter. Wat de ziel zegt over een ding zegt vaak meer over de ziel zelf als
dat het wat zegt over het fenomeen, het is dus subjectief. De geest is
objectief, het zegt niks over zichzelf maar probeert zich onzelfzuchtig in te
leven in het wezen van het fenomeen.
Een voorbeeld uit het dagelijkse leven: Een oude dame
zegt over Housemuziek: ‘Ik vind het een hoop herrie.’ Een jongen van 18 zegt
over hetzelfde ‘meester-werk’ bv. ‘Ik vind het te gek, cool, gaaf, vet,
kikke, relaxed, man !’
Beide personen hebben meer een uitspraak over
zichzelf (vanuit de ziel) gedaan als over het wezen van Housemuziek. De vraag
van de geest zou zijn: Wat is Housemuziek? Hoe is het gemaakt, uit welke
elementen bestaat het, wat voor psychologische werking heeft het, welke
zielekracht wordt het meeste geactiveerd, hoe komt het dat ouderen het
afstotelijk vinden en veel jongeren het leuk vinden? Wat beleven ze eraan? Hoe
zou ik Housemuziek uitdrukken in gebaren?
Van
de drie zielekrachten denken, voelen en willen kan men dus zeggen dat het
denken, dat naar objectiviteit streeft, de meeste affiniteit met de geest
vertoont, maar het is er niet identiek aan, want zelfs de meest ‘objectieve
denker’ vermengt zijn subjectiviteit, zijn eigen zielekleuring in zijn
gedachten zodat de meeste gedachten toch nog subjectief, door de ziel gekleurd
zijn… ‘IK’ ben het immers die iets zegt, of iets vindt. Men spreekt dan
over een ‘mening’…
Het
meest pure ‘ziele-element’ vinden we in het voelen, omdat het voelen in sym-
en antipathie reageert, en daarmee iets over zichzelf in relatie tot het ande-re
zegt: Ik vind deze roos mooi, IK houd meer van lelies, en fuchsia’s vind IK
maar niks. In het gevoel gaat het om IK, IK vind iets van iets anders…
Met de
uitspraak: Ik houd van Bach en niet van Housemuziek zegt de dame iets over
zichzelf, namelijk dat zij een respectabele en goede en beschaafde smaak voor
muziek heeft. Zij rangschikt zichzelf daarmee tot de klasse der verfijnde
muziekminnaars met een ontwikkelde achtergrond. Haagse Harrie die het
Nederlandse levenslied van André Hazes hoog in het vaandel heeft staan en die
Bach maar saai vindt geeft te kennen dat hij tot de klasse der vlotte en moderne
stoere boys hoort die niets moet hebben van die truttigheid van de ‘kouwe
kak’. Beiden vinden zichzelf bijzonder geweldig en belangrijk en kijken op
elkaar neer.
Ieder van hen zit gevangen in de subjectiviteit van
de eigen ziel, in hun persoonlijke sym- en antipathieën, normen, waarden en
vooroordelen.
Vanuit
de geest zou men hieraan kunnen ontstijgen en beiden begrijpen.
Dit ‘subjectieve’ IK, het IK VIND, is het
‘lagere IK’. Het poneert het IK als een dictator in de wereld en zegt: Hier
ben IK, Ik, de persoon die en die.
bv. Hier ben IK, Heer Bommel, Heer van stand voor wie
geld geen rol speelt.
Daarentegen is het ware, hogere IK meer als een
toeschouwer die alles observeert en alles doorheeft, en niet oordeelt.
Op
geniale wijze heeft Maarten Toonder deze 2 aspecten van de mens weergegeven in
de personages Heer Bommel en Tom Poes. Heer Bommel als het lagere IK, Tom Poes
als de geest, die niet oordeelt en alleen maar observeert, en op een gegeven
moment ingrijpt wanneer de ziel (Heer Bommel) zich zodanig in de nesten heeft
gewerkt dat hij dreigt ten onder te gaan…
Het willen is de zielekracht die de meeste affiniteit heeft tot het lichaam, die het lichaam aanstuurt tot de daad (maar er niet identiek mee is, men kan ook iets, willen, iets begeren zonder iets te doen, deze begeerte bevredigen bv.).
Zo kan men samengevat het omschrijven:
Lichaam
ziel
geest
subjectief
objectief
IK/EGO
(geweten)
IK Vind
‘Ik’ observeer
doen
begeren willen
voelen vinden denken eeuwige waarheden
(broederschap)
vrijheid
gelijkheid
In de ziel leeft het vrijheidsbeginsel, terwijl de
geest, die naar de eeuwige waarheden streeft met het gelijkheidsbeginsel
samenhangt. Alleen tijdens een aardse incarnatie is men met een ziel behept en
kan men vrij zijn. (vrijheid niet in de zin van werkelijke vrijheid, maar als de
alledaagse (schijn-)vrijheid=willekeur…)
Na de dood valt de ziel uiteen en blijft op een gegeven moment alleen de geest over. Daarvoor geldt in principe: ‘Voor God is ieder mens gelijk’. In de geestelijke wereld maakt het niet uit of je nu putjesschepper of beroemd politicus bent. De mens verliest zijn ‘aardse persoonlijkheid’, zijn ‘ego’ en alleen zijn geestelijke essentie, zijn ‘hogere IK’, de ‘observator’ blijft over.
Nu kan men vanuit het alledaagse IK streven naar het
geestelijke, het hogere, of men kan ook verzinken in het lagere IK, in het
eeuwige IK VIND.
In het gevoel leeft de kracht van sym- en antipathie,
liefde en haat, vreugde en smart, etc.
Doch ook de sympathie is vaak een verborgen vorm van
antipathie. Wanneer men iets begeert uit liefde/sympathie, dan wil men het voor
zichzelf hebben en stort men zich erop met hebzucht en begeerte. Men wil het dan
ook absoluut niet liefdevol delen met anderen. Men ziet dit vaak met mannen die
getrouwd zijn met een uitzonderlijk mooie vrouw. Alle andere heren, die in het
café als vliegen rond de strooppot om de schone dame heen circuleren kunnen de
echtgenoot tot waanzinnige jaloezie drijven. Als hij niet met de andere heren op
de vuist gaat met het devies ‘Blijf van mijn wijf’, dan zou hij vrouwlief
thuis wel eens een hardhandig lesje kunnen leren vanwege haar geflirt.
Deze ‘liefde’ gaat gepaard met wel een heleboel
‘haat’ (antipathie).
Rudolf
Steiner beschrijft in Theosofie de gang van de ziel door de zielewereld na de
dood, waarbij men 7 fasen doorgaat waarbij de pure antipathie van het laagste
niveau langzaam overgaat naar de pure liefde van het hoogste niveau.
Vervolgens betreedt men dan de geesteswereld waar de
pure liefde heerst.
(de gang van de ziel van de Maan- naar de Zonnesfeer)
In
wezen betekent de benadering van de geest van de dingen om ons heen dat men in
volledige liefde en openheid, zonder vooroordelen, zich in de wereld probeert in
te leven. Dit is eigenlijk alleen maar mogelijk als men deze fenomenen ook
liefheeft, als men ze mooi of aangenaam vindt en leeft vanuit de liefde!
Wetenschap is daarom ook een vorm van liefde, want men kan alleen maar voor datgene belangstelling opbrengen waar men liefde voor koestert, dat wil zeggen: Enthousiasme, interesse, nieuwsgierigheid, fascinatie, belangstelling etc.
Ook
de zg. ‘goetheanistische fenomenologie’ is een weg naar de geest.
De bedoeling is, dat men zich in volledige openheid, positiviteit,
onbaatzuchtigheid in de fenomenen probeert in te leven, zonder vooroordelen,
zonder ‘Ik vind’. Ook is het de bedoeling niet te gaan theoretiseren over
allerlei ‘verklaringshypothesen’, zoals in de gewone wetenschap gebruikelijk
is.
Men dient ook het denken te veranderen. Steiner spreekt over het ‘dode denken’ van de moderne wetenschap. De bedoeling is, het denken ook ‘levend’ te maken, zodat men zich in het denken met het levende en bewegende van de levenskrachten en de ziel kan verbinden, in plaats van dat men alles eerst dood maakt en dan de overgebleven stoffen gaat meten, wegen en tellen.
Het materialistische denken van de traditionele natuurwetenschap is verbonden met de dode materie, men wil alles dood maken opdat men het kan meten, wegen en tellen. Dat gaat goed zolang men mineralen en dode natuurkrachten onderzoekt, maar zodra men te maken krijgt met de wereld van het levende (planten, dieren, mensen), en het bezielde (dieren en mensen) komt men in problemen omdat daar geestelijke werkingen inspelen die zich ontrekken aan de mogelijkheid deze te meten, wegen en tellen. Men zou dan met het denken net zo beweeglijk moeten worden als de beweging van de groeiende en metamorfoserende plant of het bezielde dier (en mens) zelf…
Anatomie, chemie, natuurkunde, mechanica, etc. kan men goed doen vanuit dit versteende denken, maar op het terrein van de biologie, pedagogie, psychologie, komt men met het materialistische denken niet uit.
Om nu terug te komen op Freud: Zijn mensbeeld komt meer overeen met lichaam-ziel-geest. Wat hij het ES noemt, waar de kracht van het Libido, het lustprincipe leeft kunnen we gelijkstellen met het onderbewuste wilsgebied, wat ook het centrum van het etherlichaam is, ofwel de ‘onderpool’, het gebied van begeerten en driften (vh. lichaam) welks bevrediging immers ‘lust’ veroorzaakt.
In het midden leeft het Ego, het IK. Dat is dus de ziel, volgens Freud ook het rationele in de mens, dus omvat het zowel voelen als denken.
Tenslotte het ‘Superego’. ‘Het Super Ego wordt gevormd door de verinnerlijkte geboden en verboden van de opvoeders, die het kind zich, onder invloed van maatschappelijke normen en waarden, heeft eigen gemaakt. Het is meer gericht op ideaal dan op realiteit.’ (citaat: Fee van Delft - Therapeutische modellen) Freud verwerpt het ‘goddelijke’, het ‘goede’ in de mens en gelooft dat het ‘geweten’ een illusie is. Achter de aangeleerde normen en waarden leeft de angst voor straf van de ouders, het is een soort afweermechanisme: Het zijn Angstprojecties die het kind zich onder invloed van het ouderlijk gezag en de opvoeding heeft eigen gemaakt. Ook religie komt hier vandaan. De angst voor de strenge Vader transformeert zich tot een abstract idee van ‘God de Vader’.
Door het verwerpen van de geest als realiteit in de mens behoort Freud in zijn visie bij het materialisme. In wezen is de mens volgens Freud een agressieve sexmaniak met een aangeleerd ‘schijnlaagje’ van ‘beschaving’ (Superego=geest).
Vanuit
het 3-ledig mensbeeld en de leer van de 3 zielekrachten kan men ook weer een
oneindig aantal linken leggen met andere zaken in de wereld:
Zo vinden we dat de 3 gebieden in het menselijke
lichaam, kortgezegd, hoofd, hart, buik/benen, verbonden met denken, voelen en
willen gesymboliseerd worden door de 4 ‘dieren’ uit het astrale kruis van de
dierenriem: Schorpioen / Adelaar met denken, de Leeuw met voelen, Stier (koe)
met willen.
Het symbool van de Waterman staat voor het
menselijke, de engel-mens, die alle 3 de Zielekrachten in evenwicht en harmonie
heeft.
Steiner
werkt dit verder uit in de voordrachtencyclus: ‘De mens als klankharmonie van
het scheppende wereldwoord.’
Onder zenuwzintuigstelsel verstaan we het hoofd, de
zintuigen, alle zenuwbanen en zenuwcentra, onder het ritmische systeem: Hart,
longen, bloedvaten, de bloedsomloop, aderen en slagaderen. De onderpool omvat de
stofwisselingsorganen, maag, lever, darmen, alle klieren, gal, de
vloeistoffenhuishouding, nieren, blaas, de geslachtsorganen en de voortplanting,
baarmoeder, de hormonen, de ledematen en het spierstelsel, het motorische
stelsel.
Bij de mens zijn al deze orgaansystemen in evenwicht
en harmonie. Bij de verschillende diergroepen zien we dan dat er een sterke
nadruk op bepaalde orgaansystemen ligt. Volgens de Antroposofie is de mens de
samenvatting van het hele dierenrijk: ‘Dieren zijn wat mensen hebben’. De
mens staat als geest boven zijn lichaam, van het lichaam maakt hij gebruik
terwijl de dieren erin opgaan.
Gaan we naar de dieren leeuw en stier, dan zien we
dat dit de dieren zijn met een specialisatie op het ritmische systeem
(roofdieren) en op het stofwisselingsgebied (hoefdieren, herkauwers). Men kan
dit ook terugvinden in het gebit. De mens heeft alle drie de tandsoorten even
sterk ontwikkeld. De runderen specialiseren zich echter op de kiezen, de
roofdieren op de hoektanden. Waar in het astrale kruis de schorpioen staat,
vroeger ook de Adelaar, vinden we wat betreft het gebit op deze plaats de
knaagdieren, die zich op de snijtanden hebben gespecialiseerd. Knaagdieren zijn,
evenals vogels, nerveuze ‘zenuwelijers’. Zowel vogels als knaagdieren
specialiseren zich op het zenuw-zintuigstelsel.
Overigens, in de Christelijke esoterie worden de 4
evangelisten gesymboliseerd door de 4 dieren: Johannes – de adelaar (symbool
van de wijsheid), Markus – De Leeuw, Lucas – De Stier en Mattheus –
Mens-engel.
Denken
Voelen Willen
Evenwicht
zenuw-zintuig-
ritmische stofwisselings-
stelsel
systeem
ledematenstelsel
hoofd
hart
buik-benen de gehele mens
Schorpioen/Adelaar
Leeuw Stier
Waterman/Mens-engel
Johannes
Markus Lucas
Mattheus
Vogels
roofdieren runderen
De mens
snijtanden: hoektanden: kiezen: evenwicht:
knaagdieren
roofdieren hoefdieren
De mens
Boven- en onderpool worden door de middenpool in evenwicht en harmonie gehouden, door het ritmische systeem kan de gezondheid mogelijk worden, want veel ziekten ontstaan door het overheersen van bepaalde orgaanprocessen. De bovenpool veroorzaakt doodsprocessen, hier leeft het bewuste wakende IK. De onderpool bewerkstelligt de regenererende levensprocessen, die optimaal werken tijdens de slaap, als het wakende IK ontbreekt. In de onderpool ontbreekt ook dit bewustzijn, als het goed is. In onze onderpool slapen we, zijn we onbewust. (als we er toch waken zijn we ziek…). In de middenpool zijn we halfbewust, hier leeft een droombewustzijn. In de middenpool vinden we in de afwisseling van inademing en uitademing tendenties naar waken (inademing) en slapen (uitademen). In het hoofd zijn we met ons IK geïncarneerd, in de buik is het IK en astraallichaam niet geïncarneerd, maar werkt er van buitenaf op in. In het ritmische systeem wordt dit afgewisseld: Inademing is incarnatie, uitademing is excarnatie. Ook de oerkrachten van het gevoelsleven, sym- en antipathie zijn daarmee verbonden: Inademing betekent incarnatie, antipathie, haat, verkramping, uitademing betekent: excarnatie, sympathie, liefde, bevrijding. De eenzijdige inademer, de ‘zuurstofwellusteling’ (de hyperventilatiepatient) wordt verkrampt, melancholisch, zijn ziel leeft ‘in mineur’. De eenzijdige ‘uitademer’ is een vrolijkerd (sanguinisch), zijn stemming is altijd ‘in majeur’….
Vanuit het hoofd leven we altijd in de antipathie, we
houden afstand om iets goed te kunnen observeren. Vanuit de onderpool stroomt de
‘sympathie’, de ‘liefde’ naar buiten in het handelen. De boven- en
onderpool zijn ook de koude- en de warme-pool. We moeten het hoofd koel houden
en de buik warm.
Mensen die eenzijdig vanuit het hoofd (denken) leven
zijn vaak kil, koud, afstandelijk, stralen antipathie, soms arrogantie uit. Het
‘kamergeleerde-type’.
De ‘wilstypes’ zijn eerder warmhartig of vurig.
Ze zijn direct, stralen sympathie en enthousiasme uit, joviale dadendrang. We
vinden dit eerder bij een volkstype.
Gaat deze eenzijdigheid naar nog grotere extremen,
dan monden we uit in het ziekelijke: Autisten of ‘dwangneuroten’ zijn de te
extreme hoofdtypes, de debielen en Mongolen, imbecielen zijn de te eenzijdige
onderpooltypes.
Bij de dierenwereld zijn deze extremen in een nog
grotere mate vertegenwoordigd: De muis of de zebravink is een neuroot in het
kwadraat, de arrogante kamergeleerde (of de autist) heeft iets weg van de
adelaar, hij is ‘uit de hoogte’… (het hoofd zit boven) De adelaar is maw.
de autist in het quadraat…
De briesende stier is een vrolijke, sportieve
bouwvakker in het kwadraat. Men spreekt wel eens over een ‘domme kracht’.
Het ‘Geen woorden maar daden’-type. De grazende koe heeft weer de
iets weg van een debiel. Ook hij denkt de hele dag alleen maar aan eten. Het
ideaal is om dit alles in evenwicht te hebben!
Doch ook de eenzijdige Middenpool-mens kan ontsporen. Hier vinden we dan de ‘theaterpersoonlijkheden’, de hysterische vrouwen die de hele dag scènes maken, altijd beledigd zijn, die lijden aan trots, jaloezie, woede, gekrenkte gevoelens, die constant ruzie maken, de soapsterren, de aanstellerige kunstenaars-types, de operadiva’s, de ijdele dirigent, de prima donna’s, de Mengelbergs en Toscannini’s, de tyrannen en dictators, het Elisabeth Taylor- of Marlène Dietrichtype, kortom, de mensgeworden ‘roofdieren’… We vinden het vooral bij uitvoerende kunstenaars, met name solisten en sterren zoals actrices, popsterren, operazangeressen, dirigenten, maar ook bij politici, koningen, keizers, etc.
Bovenpool
Middenpool
Onderpool
waken
dromen
slapen
bewust
halfbewust
onbewust
doodsprocessen
evenwichtsbrenger
levensprocessen
geïncarneerd
afwisseling
geëxcarneerd
ingeademd
inademing
uitademing uitgeademd
afstandelijk
antipathie
sympathie
directheid
(deftig)
haat
liefde
(ordinair)
verkramping
bevrijding
(dodelijk bedroefd) droevig vrolijk (hemelhoog juichend)
mineur
majeur
koudepool
evenwicht
wamtepool
kamergeleerde
aansteller/dramaticus
volkstype
theorie
praktijk
kil,
uit de hoogte
pathetisch, dramatisch warm, joviaal
introvert
stemmings-extremen
extravert
depressief…
manisch-depressief
manisch….
autist/neuroot
diva, tiran, dictator
debiel/imbeciel
twijfel-angst
haat
agressie
wijsheid
liefde
moed, hoop
bv.
Einstein
bv. Elisabeth Taylor
bv. Atilla de Hun (de Hulk)
Schorpioen:
(Leeuw:)
Stier:
De
toreador
het stierengevecht uit
Spanje
De stier
slimheid
(luiheid)
De domme kracht
De aangehaalde voorbeelden samenhangend met de
verschillende mensbeelden zijn alleen maar opgenomen om van de in eerste
instantie nogal abstract overkomende mensbeeld-indelingen een meer levendig
beeld te krijgen, en te laten zien dat het geen abstracte theorieën zijn, maar
dat deze visie volledig in het leven staat en in alles terug is te vinden,
wanneer men er oog voor krijgt.
Het zijn natuurlijk nogal stereotypen die worden aangehaald, dit, niet om iets of iemand te veroordelen, in een vakje te stoppen of te discrimineren, maar louter ter illustratie van de verschillende mensbeelden. Natuurlijk zijn de voorbeelden nogal boud, maar het gaat er niet om of een bepaald concreet ‘volkstype’ in de praktijk ook werkelijk een vrolijke ‘domme kracht’ is, maar welk beeld dit begrip als ‘archetype’ in onze voorstelling oproept. Het gaat dus niet om werkelijke mensen of volkeren etc. , die zich eventueel ‘beledigd’ zouden kunnen voelen indien men ze ‘in een hokje stopt’, maar om het archetype wat verbonden is met een bepaald begrip. In de werkelijkheid is alles veelkleurig gemengd, vooral als het om echte mensen gaat. Deze voorbeelden geven alleen maar een mogelijkheid aan van hoe men naar de dingen kan kijken. In de praktijk moet men de dingen altijd van heel veel kanten bekijken om ze te doorgronden.
____________________________________________
De Slaap en het droombewustzijn
Wanneer de mens wakker is zijn IK en astraallichaam geïncarneerd in stoffelijk- en etherlichaam. Slaapt de mens, dan treden IK en astraallichaam uit het stoffelijk- en levenslichaam en vertoeven in de astrale wereld. Aangezien de mens het etherlichaam nodig heeft om op aards niveau, met zijn ‘lagere IK’ zich bewust te zijn van zichzelf (het lichtether voor het denken) valt het IK, zonder etherlichaam waarin zich de voorstellingen en het bewustzijn spiegelen, in een toestand van onbewustheid. Alleen ingewijden, mensen die al iets ontwikkeld hebben van hun geestelijke wezensdelen, kunnen tijdens de slaap ook ‘wakker’ blijven…
Tijdens de slaap kan het etherlichaam, door het ontbreken van het met de doodsprocessen samenhangende waakbewustzijn, en het IK, werken aan de regeneratie van het lichaam. Vanuit de geestelijke wereld nemen de hogere wezensdelen, ’s-morgens bij het ontwaken, ook weer genezende krachten mee…
____________________________________________________________
Tussen
waken en slapen: De extase
Er zijn ook andere toestanden mogelijk waarbij het astraallichaam in het stoffelijke lichaam is geïncarneerd, maar het IK al is uitgetreden, bv. in de roes of de extase. Dit kan ook bewerkstelligd worden door de roesverwekkende werking van alcohol, bij verregaande dronkenschap, drugsgebruik, door de dans (bv. met extasy in de disco), zoals bv. de Derwishdansen of de rituele dansen van natuurvolkeren, de ‘Shakers’ (schudders), de tarantelladansen (men trad uit omdat men was gebeten door een tarantula…), maar ook bij een toestand van ‘gekte’, zoals bij de epileptische aanval, bij allerhande vormen van geestesstoornissen, zoals psychosen, schizofrenie, of een hysterische aanval, een drift- of woede-aanval, bij een toestand van manie, etc.
In
het algemeen kan men zeggen dat bij sympathie de ziel naar buiten, naar boven,
eruit gaat. Men richt ook zijn aandacht naar buiten. Ook bij vreugde, bv. door
blije tijdingen (men won de 100.000 bv.) gaat men vrolijke rondedansjes maken,
men ‘gaat uit zijn dak’. Vreugde hangt samen met het ‘uitademen’ van de
ziel. Door somberheid, ziekte en pijn incarneert zich de ziel extra diep in het
lichaam, zodat men zich te sterk bewust wordt van zijn lichaam. Is men bv. ziek
dan ‘voelt’ men zijn lichaam voortdurend, dwz. het astraallichaam is er te
diep in geïncarneerd. Ook bij pijn concentreert zich het astraallichaam op een
bepaalde plaats. Is de ziekte of de pijn over, dan voelt men zich
‘opgelucht’ en ‘bevrijd’ van de te diepe incarnatie van het
astraallichaam…
‘Bevrijd’ zijn van het astraallichaam en IK in
het stoffelijk lichaam geeft een gevoel van vreugde die over kan gaan in extase
en roes.
Hoe blijer men is, hoe ‘groter’ en stralender het
astraallichaam wordt (de aura), wat zich ook kan uiten in de lichamelijke
gebaren, de vreugdedans of de opwinding die men uit. Wanneer men zo blij is, en
het astraallichaam steeds groter wordt, neemt deze de IKvonk ahw. mee naar
buiten, zodat het bij een nòg grotere vreugdes-extase tot een excarnatie van
het IK kan komen, waardoor men in de dionisische roes of in extase kan geraken. (de
dood geeft het ultieme lustgevoel!)
Aangezien
het excarneren een prettig lustgevoel geeft is dat ook iets aantrekkelijks waar
veel mensen naar op zoek zijn. Ook in de sexualiteit, in de
geslachtsgemeenschap, in de roes die kan worden ervaren door de sensationele
lustgevoelens die dit op kan roepen kan men dit ervaren.
Dat is
dan ook de rede waarom op feestjes gedronken wordt, want alcohol of andere drugs
werken excarnerend, wat de feestvreugde vergroot.
Ook
kan men de roes en extase zoeken in religieuze vervoering, in de religieuze
extase, waardoor zelfs mensen kunnen gaan ‘leviteren’ (het astraallichaam
trekt ahw. het stoffelijke lichaam mee omhoog)….
In
de uittreding of de roes, de extase kan men soms ook paranormale, religieuze,
hallicunerende ervaringen hebben. Dit heeft men over het algemeen eerder wanneer
ook het etherlichaam een stukje van het stoffelijke lichaam wordt losgemaakt,
waardoor men zich van de ervaringen bewust kan worden die zich buiten het
stoffelijk lichaam afspelen. (dit gebeurt ook bij het sterven!)
Dit is ook hetgeen waarnaar de mens op zoek is die via roesverwekkende ritu-elen (drugs, dans, gebed, meditatie etc.) naar een ‘religieuze ervaring’ streeft…
______________________________________________
In deze tijd, we leven in de tijd van de
‘bewustzijnsziel’, is het IK zeer diep in het stoffelijke lichaam geïncarneerd.
Dat bewerkstelligt behalve het materialisme en de afstandelijkheid van veel
mensen, ook het zwarte en sombere, het kille en versteende van onze ziel in deze
tijd. We leven in de tijd van de ‘houten zielen’, ‘met een hart van
steen’. Het te diep in het lichaam geïncarneerd zijn bewerkstelligt een
depressieve, sombere, duistere, kille stemming in de ziel. Voor de ziel is het
lichaam een soort ‘gevangenis’ geworden waar we aan ‘lijden’, zoals een
melancholicus eronder lijdt dat hij de last van het stoffelijke lichaam op zijn
ziel voelt drukken. We gaan er bijkans krom van lopen…
In het Existentialisme van Sartre vinden we deze
uitzichtloze, pessimistische somberheid die door het materialisme wordt
bewerkstelligd in extreme mate.
Het
diep in het stoffelijke lichaam gevangen zitten van de ziel bewerkstelligt ook
de uitsluitende aandacht voor het stoffelijk-lichamelijke en dat hangt dus
direct samen met het materialisme van deze tijd. Vandaar dat veel mensen in onze
cultuur juist verwoede en wanhopige pogingen doen zich dmv. drugs, sex, alcohol,
sensationele sporten (bv. bungy-jumpen), extasy- en Houseparty’s, SM.,
dansfeesten, sensatiefilms, de kermis, extreem harde stampmuziek etc. (kortom:
sex, spanning en sensatie) te ontdoen van de terneerdrukkende zware last van hun
stoffelijke lichaam en de ziel te ‘bevrijden’, de Dionysische roes te
beleven… (men noemt dat ook wel: het zoeken naar ‘Kicks’….)
In
vroeger tijden was het IK nog niet zo diep in het lichaam geïncarneerd. De
vroegere helderziendheid was mogelijk omdat het etherlichaam ook nog niet zo
diep in het stoffelijke lichaam was geïncarneerd. Het stak bv. uit boven het
hoofd, zoals nu nog steeds bij dieren en baby’s, zodat men bewust gewaarwerd
wat er zich buiten het lichaam afspeelde, in de etherische- of geestelijke
wereld.
De
ahrimanische wezens hebben ahw. het etherische lichaam in het stoffelijke
lichaam ‘geduwd’ zodat we onze helderziende vermogens kwijtraakten.
Veel
mensen die ‘helderziend’ zijn tegenwoordig, of ‘paranormaal begaafd’,
hebben in hun jeugd een ongeluk gehad, waarbij ze even ‘dood’ waren, het
etherlichaam heeft even het stoffelijk lichaam verlaten, waarna het daarna niet
meer goed paste in het stoffelijke lichaam. We spreken dan over een
‘dislokatie’ van het etherische lichaam. Deze mensen krijgen dan ongewild
allerlei beelden uit de geestelijke wereld door, via hun buiten het stoffelijk
lichaam uitstekende etherische lichaam. (men spreekt ook wel eens over een
‘gat’ in de aura…)
Bij volkeren die sterk vanuit de gewaarwordingsziel
leven (zoals de zuidelijke volkeren, bv. het Italiaanse volk, of andere
mediterrane volkeren) zien we dat het IK alleen in het astraallichaam is geïncarneerd,
en daarom nog tamelijk ver buiten het stoffelijk lichaam vertoeft. Deze volkeren
neigen daarom dan ook naar het
extraverte, enthousiasme, naar stralende vreugde, ze zijn druk, gesticuleren
veel, zijn gepassioneerd, emotioneel, vrolijk etc.
Bij
volkeren die sterk vanuit de bewustzijnsziel leven (zoals het Engelse volk,
Scandinavische volkeren, Hollanders, Duitsers etc. kortom Noord-West-Europese
volkeren) is het IK het diepst in het stoffelijk lichaam geïncarneerd. Deze
volkeren neigen naar het afstandelijke, het sombere, het zakelijk-nuchtere, het
zijn ahw. ‘dode zielen’, ‘doods’ (het stoffelijk lichaam is als ‘het
graf van de ziel’), ze zijn meer melancholisch en introvert, rustig, ze
observeren van een afstand, kunnen ook arrogant zijn (Engelsen met name), lauw
in hun emoties, kil en emotieloos, etc. (maar kunnen door deze distantie
ook zelfspot hebben, bv. engelse humor)
Een
tussenpositie nemen de volkeren in waarbij het IK in het etherlichaam is geïncarneerd
en die vanuit de ‘Verstands-Gemoeds-ziel’ leven (het Franse volk,
Zuid-Duitsers, wellicht Oostenrijkers). Bij hen is het emotionele en rationele
element in evenwicht. In Frankrijk enerzijds de charme en de ‘joy de vivre’,
anderzijds het rationele (bv. Voltaire, -en ook het militairisme (la
gloire et la Patrie)….).
________________________________________________
Wanneer we sterven scheidt zich het etherlichaam van het stoffelijke lichaam. (de ultieme vreugdesextase van de bevrijding van het stoffelijk lichaam wordt ook wel eens ‘de gouden poort’ genoemd)
Het IK en het etherlichaam zijn dan in de geestelijke
wereld. IK en etherlichaam kunnen echter maximaal 3 dagen met elkaar verbonden
blijven, namelijk net zo lang als een mens maximaal wakker zou kunnen blijven,
en dat is ongeveer 3 dagen. Daarna valt hij onherroepelijk in slaap (of er volgt
een ‘uittreding’, hallucinaties, etc.), dat betekent dat het astraallichaam
en het IK zich losmaken van het levenslichaam. En dat gebeurt ook onherroepelijk
na de dood.
Behalve dat het etherlichaam alle levensprocessen in
het stoffelijk lichaam bewerkstelligt is het ook ons onderbewustzijn, de
opslagplaats van al onze kennis, al onze herinneringen, het geheugen. Na onze
dood zien we nu (als IK) dit etherlichaam om ons heen (zonder dat het stoffelijk
lichaam verhindert dat we het etherlichaam zelf direct kunnen gewaarworden) wat
bewerkstelligt dat we alle in het etherlichaam opgeslagen herinneringen in één
groot panorama om ons heen zien. Men noemt dat het levenspanorama. Een paar
dagen zien we al deze herinneringen om ons heen, op een wijze dat men kan zeggen
dat ‘de tijd tot ruimte is geworden’. Alles wat ná elkaar gebeurde zien we
in één groot panorama om ons heen, tegelijkertijd. Het is de samenvatting van
ons hele leven.
Mensen
die verslag doen van ‘bijna-dood-ervaringen’ doen ook van allerlei andere
ervaringen verslag, zoals ‘de tunnel en het licht’, de ontmoeting met reeds
gestorven familieleden, de ontmoeting met een stralend lichtwezen, meestal geïdentificeerd
als Christus, God (of de beschermengel)….
Over dit onderwerp zijn tegenwoordig heel veel boeken
op de markt. Raymond Moody en Kübler Ros waren de eersten die hiervan een
studie hebben gemaakt. Vele artsen die onafhankelijk van elkaar verslag hebben
gedaan van mensen die tijdens een operatie of na een ongeluk een ‘bijna dood ervaring’ hadden
beschrijven allemaal precies dezelfde verschijnselen. Bij de bijnadoodervaring
hoort ook het gewaarworden van het levenspanorama, er wordt vaak verteld dat men
ernaar kijkt, samen met ‘het wezen van licht’ terwijl men zijn leven moreel
beoordeelt. (zie ook het indrukwekkende boek van G.
Ritchie: ‘Return from tomorrow’!)
Het
om ons heen uitgestalde levenspanorama is dus een blik op ons etherlichaam. Na
ongeveer 3 dagen maakt het etherlichaam zich langzamerhand los van het astrale
lichaam en het IK en begint op te lossen in de etherische wereld. (als het in
zijn samenstelling behouden blijft spreekt men ook wel over een ‘etherisch
lijk’, wat soms wel eens wordt geconserveerd door bepaalde geestelijke wezens,
die de informatie die in het etherlichaam zit vervolgens kunnen gebruiken om
zich bij spiritistische seances voor te doen als de betreffende gestorven
ziel….)
Nu is het IK nog verbonden met het astraallichaam, en
dan begint de reis door het ‘zieleland’, de astrale wereld, wat in het
Christendom ook wel genoemd wordt het ‘vagevuur’. Dante noemt het de
‘louteringsberg’. Steiner spreekt (in ‘Wetenschap van de Geheimen der
ziel’) over het ‘louteringsvuur’. De oude Indiërs noemen het ‘de plaats
der begeerten’: Het ‘Kamaloka’.
Tijdens de slaap herbeleven we onbewust onze belevenissen van de afgelopen dag, in omgekeerde volgorde. Dat is hetgeen we nu in deze toestand bewust gaan doormaken: We herbeleven ons hele leven nogmaals, van achter naar voren, we herbeleven alles, nu bewust, wat we tijdens de slaap onbewust hadden ervaren. Aangezien de mens gemiddeld 1/3 van zijn leven slapend doorbrengt duurt dit louteringsvuur ook ongeveer 1/3 van een mensenleven. Wanneer je 75 bent geworden duurt dit Kamaloka ca. 25 jaar.
Alleen is het verschil nu, dat je het niet ervaart zoals je het zelf ervaren hebt, maar omdat we met ons IK ahw. van buitenaf naar het astraallichaam kijken ervaren wij ons leven ook van buiten af. We ervaren het dus zoals anderen ons hebben ervaren. Men ervaart dan ook al het leed dat men anderen heeft aangedaan, zoals dezen het ervaren hebben. Men ervaart de pijn en vernedering van de vriend die men een klap in het gezicht heeft gegeven bij een ruzie in plaats van de bevrediging die men zelf op dat moment had. Aangezien we nu de steun van het stoffelijke lichaam missen, terwijl het relativerende verstand waarvoor wij het etherlichaam nodig hebben ook ontbreekt, ervaren we het leed dat we anderen aandeden op een onontkoombare en heftige wijze, vele malen heftiger als tijdens een aards leven mogelijk is. Bij al onze wandaden worden we overweldigd door schuld- en schaamtegevoelens. Men kan zich misschien wel voorstellen wat voor hel een kampbeul in deze toestand moet doormaken ! Anderzijds, heeft men anderen gelukkig gemaakt en liefde geschonken, dan zal men zèlf deze liefde ervaren, zodat een moreel hoogstaand persoon die alleen maar liefde heeft geschonken het louteringsvuur wellicht op een minder onprettige wijze zal ervaren….
Uit andere literatuur over Bijna-dood-ervaringen heb ik ook gelezen dat het niet zo is dat men alleen maar zijn eigen belevenissen en ervaringen doormaakt, maar ook de belevenissen die indirect met jou verbonden zijn. Iemand die bv. alleen maar zijn handtekening onder een papier heeft gezet en daarmee onschuldige Joden naar de gaskamer stuurde zal ook met de gevolgen van deze daad worden geconfronteerd en een beeld krijgen van het leed van deze mensen en de gevolgen voor hun karma, en zelfs beelden ontvangen van de verdere gevolgen van deze daad, naar de toekomst toe, wat hij allemaal kapot en onmogelijk heeft gemaakt, voor de familie, voor de vrienden en geliefden, voor de toekomst, voor de kinderen die nu niet kunnen incarneren, alle geplande dingen die deze mensen voor anderen en in de wereld hadden kunnen doen.
In ‘Theosofie’ beschrijft Steiner de reis van de ziel door het zieleland, de ‘plaats der begeerten’. Daar zijn 7 niveau’s. De begeerte is identiek aan antipathie, dat wil zeggen, het zich afsluiten in een bolvorm. In eerste instantie wil de ziel na de dood zijn eigenheid, zijn ziele-identiteit vasthouden, hij wil met zijn astraallichaam zijn (hogere) Ik niet verliezen, hij klampt er wanhopig aan vast en sluit zich in eerste instantie (bolvormig) af van de hem onringende ande-re wezens en krachten van de zielewereld. Dat is ook zo met de begeerte. Iemand die iets begeert wil iets voor zichzelf hebben. Denk bv. aan eten: Ik wil dat gebakje voor mezelf alleen hebben, en ik ga het lekker alleen opeten.
Ook na de dood heeft men nog allerhande begeerten, want deze leven in het astraallichaam (en IK), bv. voor eten, roken, snoepen, sex, mooie vrouwen, alcohol, etc. Aangezien men nu geen stoffelijk lichaam meer bezit om deze behoeftes te bevredigen blijven deze begeerten als een laaiend vuur in de ziel bestaan, net zolang tot ze worden losgelaten of opgegeven.
Er
is echter een verschil tussen de noodzakelijke begeerten, bv. eten en drinken
voor het lijfsbehoud bv. en de begeerten die voortkomen uit een verslaving, uit
genotzucht. Deze worden vanuit het IK gecreëerd, en deze zijn het vooral die
het vuur van de begeerte doen branden. Aangezien men geen lichaam meer heeft,
kan men ook niet meer de elementaire en noodzakelijke honger voor het lijfsbehoud hebben. Vooral de verslaving aan
genot bewerkstelligt deze brandende begeerten (de traditionele ‘zonden’: hebzucht,
wellust, gulzigheid etc.).
Na
de dood, in het louteringsvuur, moet men alles leren loslaten, niet alleen de
onbevredigbare begeerten, maar ook de ego-identificatie die men als ziel vanuit
het lagere IK heeft opgebouwd. De ziele-identificatie van: ‘Ik ben Jos van der
Laan, handelaar in obligaties, de gezellige en trouwe huisvader, de degelijke en
spaarzame heer, met die en die hobby’s, dat en dat karakter, met die en die
gewoontes, met die en die herinneringen en achtergrond etc.
Men moet na de dood het kleed van de ziel afleggen en wat overblijft is
het geestelijke IK, de kern van het IK-bewustzijn. Men wordt ahw.
‘uitgekleed’, zodat men naakt voor de schepper komt te staan, die enkel en
alleen maar de mens beoordeelt op de wezenlijke essentie van het menszijn.
Wie ben jij werkelijk? Wat heb je wezenlijk gedaan in
je leven?
Maar
aanvankelijk probeert men in het kamaloka zich nog wanhopig vast te houden aan
het kleed, de aardse ziel met zijn hebbelijkheden. Langzamerhand laat men dit
dan los, zodat de ziel aan het einde van het Kamaloka zijn astraallichaam
loslaat, die oplost in de astrale wereld. We gaan dan van de antipathie naar de
sympathie, van het ‘IK’- naar het ‘wij’-gevoel, van haat en aversie naar
liefde. In het begin trekt het astraallichaam zich rond de IKvonk nog bolvormig
tezamen, maar naarmate men het astraallichaam leert loslaten wordt deze ahw.
steeds groter, en begint ahw. te ‘stralen als een zon’, en wel zodanig dat
het astraallichaam in stralende liefde met de omringende astrale wereld
versmelt.
Tijdens
deze reis doorloopt de ziel de geestelijke Maan-, Mercurius- en Venussfeer. In
de Venussfeer vinden we de sfeer van de liefde en begint het astraallichaam in
liefde uit te stromen, zodat hij in de Zonnesfeer als een stralende Zon is
geworden, en het proces van ‘loslaten’ voltooid heeft…
De doorgang door het louteringsvuur is ook een
persoonlijke zaak. Wie een verdorven ziel heeft, bv. een volslagen egoïstische
crimineel, een mafioso bv. die alleen maar is gericht geweest op de bevrediging
van zijn egoïstische driften en alleen maar materialistisch gewin heeft
nagestreefd, een grote villa, een dure slee, mooie vrouwen, lekker eten, roken,
zuipen etc. heeft heel wat los te laten na zijn dood en zou wel eens lang in de
Maansfeer moeten vertoeven.
Iemand
die tijdens zijn leven al heeft leren ‘loslaten’, een ingewijde, een
heilige, een asceet, een wijsgeer, zal wellicht vrij snel door dit kamaloka heen
gaan en er misschien nauwelijks affiniteit mee hebben….
De
monnikken van de orde van Franciscus van Assisi waren bv. tijdens hun leven al
in extreme mate bezig om al het aardse ‘los te laten’. Ze gaven alles zoveel
mogelijk weg, al hun geld en goederen, kleding, bezit, etc.
Nu
de ziel alleen nog met zijn geestelijke IK-kern in de zonnesfeer is gearriveerd
verandert ook de hoedanigheid van de geestelijke wereld. In de lagere sferen
hadden we de geestelijke wereld (imaginatief) ervaren in kleurige beelden, maar
in de Zonnesfeer komen we in het ‘lagere devachan’, en deze wordt niet in
beelden maar in (inspiratieve) klanken ervaren. Dit is de sfeer van de
‘wereldmuziek’, de ‘musica mundana’, de harmonie der sferen, de
kosmische muziek. Hier, in de geestelijke wereld leven ook alle beelden, de
platonische oerideeën van alles wat op aarde is ontstaan. In de Christelijke
leer wordt deze sfeer ook wel ‘de hemel’ genoemd. Dante beschreef het in
zijn ‘paradisum’. De oude Indiërs hadden allerlei termen voor deze sferen
te omschrijven, zoals: Devachan (plaats van de goden), het Nirwana, het
paranirvana, etc.
De
ziel vervolgt na zijn bezoek aan de zonnesfeer zijn reis door de Marssfeer, de
sfeer van de ‘wereldspraak’, wat men bv. terugvindt in het
Johannes-evangelie, wanneer gesproken wordt over de logos, het goddelijke woord:
‘In den oerbeginne was het Woord, en het Woord was van God, en het woord wàs
God’ etc.
De
Jupitersfeer is de sfeer van de wereldwijsheid, en in de sfeer van Saturnus
vinden we dan het ‘wereldgeheugen’, de ‘Akashakroniek’, dat gebied
waartoe Steiner als helderziende toegang toe had en van waaruit hij de gehele
geschie-denis van de wereld kon reconstrueren, wat hij beschreef in
‘Wetenschap van de geheimen der ziel’. (nu neemt men de geesteswereld
‘intuitief’ waar = geestesversmelting)
Dan
komen we in de sterrensferen, bij de allerhoogste goddelijke machten, de
Cherubijnen en Serafijnen, die ‘staan in het aangezicht Gods’ (de
triniteit).
In
deze sfeer vinden we ook de dierenriem, en de dierenriemwezens zijn in feite de
12 Cherubijnen die verbonden zijn met bepaalde sterrengroepen in de kosmos. Hier
in deze sfeer wordt het mensenwezen ‘gewogen en beproefd’ door de
allerhoogste goddelijke machten, die vanuit hun overmachtige wijsheid de mens
beoordelen op datgene wat hij als essentieel, als ‘vrucht’ van het afgelopen
leven in zijn ontwikkeling heeft bereikt. Vervolgens ‘spinnen’ de Goden in
het mensenwezen een ‘nieuw lot’. Bekeken wordt op wat voor wijze de mens in
het komende aardeleven zich het beste verder zou kunnen ontwikkelen, er wordt
ahw. een ‘nieuwe route’ gepland voor het toekomstige aardeleven. De mens
wordt overigens na de dood totaal getransformeerd. In zijn volgende leven kan
hij een totaal andere aardse persoonlijkheid worden (indien de goden dit het
beste vinden). Alleen op aarde heeft de mens de vrijheid om er al dan niet iets
mee te doen, met de mogelijkheden die de goden in zijn karma (in zijn
onderbewuste wilsgebied) hebben neergelegd…. Alleen wanneer de mens een
‘hoger bewustzijn’ heeft ontwikkeld, als hij zijn geestelijke wezensdelen
heeft ontwikkeld, zijn ‘hoger IK’, zou hij zijn karma zelf kunnen gaan
bepalen (in samenspraak met de goden), maar voor gewone mensen is dit bewust
meestal nog niet mogelijk.
Nu
begint weer de reis door de sferen richting aarde. Onderweg neemt de ziel / het
IK (geest) van allerlei krachten in zich op vanuit de planeten- en
dierenriemsferen die hij bij het komende aardeleven nodig heeft.
Wie
een uitgebreidere beschrijving hiervan wil (de reis door de planetensferen),
raad ik aan het boekje van W.F. Veltman te lezen: ‘Mensen en planeten’.
Wanneer
de mens in de Maansfeer komt, verbindt hij zich met een astraallichaam, waardoor
hij in een soort slaaptoestand kan geraken waaruit hij dan langzamerhand
ontwaakt wanneer hij ‘ontwaakt’ als kind in een nieuw lichaam.
Voordat
iemand in een lichaam incarneert moet eerst een geschikt ouderpaar worden
gevonden waarmee de mens een karmische band heeft, en die het beste past bij het
karma wat voor dat leven gepland is. Ook het milieu en de genetische
eigenschappen, het uiterlijk, de talenten, het genetisch bepaalde karakter
moeten aansluiten op de eigenschappen van het geestelijke IK dat zich met de
vrucht zal verbinden. Wanneer een geschikt ouderpaar is gevonden, wat soms zeer
lang kan duren, verbindt het IK en astraallichaam zich met het stoffelijke en
etherische lichaam van het embryo dat zich op dat moment in het moederlichaam
aan het ontwikkelen is. (gepland karma kan doorkruisd worden door
abortus!)
Ook
moet hij samen met de groep mensen incarneren waarmee hij karmisch verbonden is
(‘oud’ karma vanuit vorige incarnaties) wat niet wil zeggen dat hij geen
nieuwe (onbekende) zielen kan tegenkomen waarmee hij ‘nieuw karma’ kan
vormen. Ook een zekere vrijheid kan in de toekomst mogelijk worden.
Over de
wetmatigheden van het Karma heeft Steiner vele duizenden bladzijden voordhoroscoop van iemand drukt zich (in de momentopname
van de geboorte) uit welke kosmische planeten- en dierenriemkrachten op de ziel
hebben ingewerkt in de geestelijke wereld voordat hij op aarde kwam.
Het
geboortemoment is dus van te voren door de goden vastgesteld, gelijk men bv. het
beginmoment van een gepland concert bepaalt. Daar zijn ook een hele-boel
repetities en vergaderingen etc. aan voorafgegaan, zodat het orkest op de
geplande avond ook werkelijk op het afgesproken moment kan beginnen……..
Niet al het karma ligt vast als ware het een ‘onontkoombaar noodlot’. Het kar-ma wordt gepland maar kan doorkruisd worden (bv. door groepskarma, tijd-geestkarma, rampen). Nietvoorzien lot schept dan weer toekomstig karma.
_________________________________________________
Over de geestelijke wereld en haar bewoners
Steiner beschrijft de verschillende niveau’s van de
geestelijke wereld in het boek ‘Theosofie’, echter zonder nader in details
te treden over de hoedanigheden van haar bewoners, de engelenhiërarchieën.
Deze beschrijft hij weer in meerdere voordrachtscycli, oa. ‘Die geistigen
Wesenheiten im Himmelskörpern und Naturreiche’.
In de geestelijke wereld leven de engelenhiërarchieën
die ieder steeds weer een bewustzijnsniveau hoger staan. Boven de mens staan de
engelen, die een bewustzijnstrap hoger staan, evenals de mens een
bewustzijnstrap hoger staat als de dieren. Boven de engelen staan de
Aartsengelen, die weer een bewustzijnstrap hoger staan als de engelen. Zo zijn
er negen engelenhiërarchieën.
De mens heeft bv. al geestelijke wezensdelen, maar
deze zijn nog niet uitgevormd en alleen maar in kiem aanwezig. In principe heeft
de mens tijdens de aarde-evolutie als hoogste wezensdeel zijn ‘IK’. Voor
zover de mens tijdens de aarde-evolutie al iets van zijn geestelijke wezensdelen
ontwikkelt betekent dat dat hij er een klein gedeelte al van ontwikkelt. Pas in
de toekomstige evolutie-fasen zal hij deze wezensdelen ten volle ontwikkelen. De
hiërarchische wezens ontwikkelden hun geestelijk wezensdelen in vorige
evolutiefasen. Zo hebben de engelen alreeds hun Manas/Geestzelf ontwikkeld, de
aartsengelen ook al hun levensgeest/Boeddhi, en de Archai al de Geestmens/Atma.
De
boven deze wezens staande hiërarchische wezens hebben dus nòg hogere
wezensdelen ontwikkeld, die boven het Atman uitgaan, en wel zijn er dan nog 6
boven de Geestmens staande wezensdelen mogelijk.
Hoe
hoger de geest zich ontwikkelt, hoe sterker de afbraak- en doodskrachten worden
die door een geestelijk wezensdeel in een fisiek lichaam worden bewerkstelligd.
Ons IK verteert ons lichaam en ons zenuwstelsel al tijdens het waken (incarnatie
in het stoffelijk lichaam), vandaar dat zenuwcellen heel teer kwetsbaar en doods
zijn. Hoe doodser, hoe meer bewustzijn in een cel mogelijk is. Vandaar dat
zenuwcellen na beschadiging bijna niet te herstellen of te regenereren zijn, wat
bv. verlammingen ed. kan bewerkstelligen. Hoe minder bewustzijn, hoe sterker de
regeneratie- en groeikrachten. Daarom beschikken planten over enorme
groeikrachten. Een boom kan 100 meter hoog worden. Ook een vleeswond kan
genezen/aangroeien. Ook lagere dieren hebben nog meer regeneratiekrachten als
hogere dieren. Uit doormiddengeknipte wormen groeien 2 nieuwe wormen. Een
afgekapte hand groeit echter niet meer aan.
Om die rede kunnen de hoger ontwikkelde hiërarchische
wezens dan ook geen stoffelijk lichaam meer hebben. Hun lichamen zouden dat niet
kunnen verdragen en eraan ten gronde gaan. Zij moeten daarom een stoffelijk
lichaam missen. Bij hoge
uitzondering kan kort een hoger goddelijk wezen in een goed geprepareerd
stoffelijk menselijk lichaam leven, zoals met Christus het geval was….
Dit door deze wezens ontwikkelde geestelijke
wezensdeel hangt ook direct samen met de functie die zij in het wereldgeheel
hebben. De engelen bv. hebben het
geestzelf/manas ontwikkeld, en met dit geestzelf omhullen zij ahw. het nog
kiemvormige geestzelf van de mens, zodat als we als mens in gebed of meditatie
ons richten op ons geestzelf, op het hogere en goddelijke in ons, dit ook meteen
een ontmoeting met de ‘engel’ in
ons is…
In de Bijbel wordt dit ook wel eens met het mysterie
van Pinksteren verbonden, als gesproken wordt over ‘de uitstorting van de
heilige geest’, de ‘vurige tongen’ die boven de mens zichtbaar worden en
de mensen verbindt, want door het geestzelf ontstaat de broederliefde die de
mensen in liefde met elkaar zal verbinden. In het gelouterde- ofwel
vergeestelijkte astraallichaam is immers alleen nog maar de liefdekracht
mogelijk die de mens naar buiten zal uitstralen...
Vanuit
deze liefdekracht van het geestzelf omhult onze ‘beschermengel’ liefdevol
ons hogere Ik, de kiem van onze Manas/Geestzelf…
De
aartsengelen omhullen met hun levensgeest groepen mensen, volkeren ed. en de
Archai gebruiken hun geestmens om als tijdgeesten de mensheid als geheel te beïnvloeden.
De
wezens van de engelenhiërarchieën leven in de verschillende planetensferen:
Engelen-hiërarchie:
planetensfeer:
Serafijnen
/ Serafs
Kristalhemel
Cherubijnen
/ Cherubs
Sterrensferen
(dierenriem)
Tronen,
geesten van de wil
Saturnus (wereldgeheugen)
Kyriotetes,
geesten der wijsheid
Jupiter (wereldgedachten)
Dynamis,
geesten der beweging
Mars (wereldspraak)
Exusiai,
geesten van de vorm
Zon (wereldmuziek)
Archai,
Tijdgeesten
Venus (kleurenwereld)
Aartsengelen,
volksgeesten
Mercurius
(vormkrachten)
Engelen,
begeleiders individuele mensen
Maan (vagevuur, kamaloka)
De 9 engelenscharen worden in 3 hiërarchieën
ingedeeld. De hoogste 3 wezens zijn de engelenwezens van de 1e Hiërarchie,
de 3 groepen wezens daaronder de 2e hiërarchie, en de laagste
engelenwezens zijn de wezens van de 3e hiërarchie.
Deze 3 hiërarchieën zijn weer verbonden met de 3
aspecten van de goddelijke triniteit: De Vader, de Zoon en de Heilige Geest die
door hen heen werkt.
De wezens van de 3e hierarchie
(verbonden met de Geest Gods, de Heilige Geest) zijn de wezens die zich met de menselijke
cultuur bezighouden.
Engelen begeleiden als beschermengelen de individuele
mensen. Aartsengelen verbinden zich als volksgeesten met een groep mensen.
Archai verbinden zich met de mensheid als geheel als tijdgeesten.
De wezens van de 2e hiërarchie, de
geesten van de vorm, de beweging en de wijsheid zijn de eigenlijke architecten
van alles wat leeft en groeit, de vormen, de bewegingen en de wijsheidsvolle
ordening in de natuur in de lichamen van mensen, dieren en planten. De Exusiai
zijn dan verbonden met de mens, zij schiepen het IK van de mens, de Dynamis zijn
verbonden met de dierenwereld, zij schiepen ons astraallichaam, de Kyriotetes
zijn verbonden met de plantenwereld, zij schiepen ons etherische lichaam. Dit is
de ‘Zoon Gods-hierar-chie’, zij zijn in hun oneindige wijsheid de eigenlijke
schepperwezens, de kun-stenaars, de architecten van onze schepping.
De wezens van de 1e hiërarchie, verbonden
met het ‘Vader-Gods-wezen’ zijn de wezens die voor de oergrond van de
stoffelijke wereld staan. Zij zijn oa. de scheppers van het stoffelijke en
minerale. De Tronen schiepen ons stoffelijk lichaam (en ons skelet). Cherubs en
Serafs schiepen oa. de stenen en mineralen. Zij genereren de oerkrachten die
nodig zijn om onze stoffelijke schepping überhaupt bij elkaar te houden…
Aldus is ‘de Vader’ verbonden met het lichaam,
ontstaan in de oertijd van het verleden, ‘de Zoon’ (Christus) met de ziel
(het Ik) in het heden, en de heilige geest met de geest van de mens die in de
toekomst zich zal ontwikkelen en wat door hen op dit moment in zekere zin
‘gedragen’ wordt…
We vinden dat bv. terug in het Pinksterfeest, de
uitstorting van de vurige tongen, de geestdrift, de heilige geest bij de
apostelen als beeld van de toekomstige broederliefde….
Boven de hiërarchieën leeft dan nog de zg.
‘Triniteit’ van God Vader, Zoon en (Heilige) Geest.
De
oude Indiër sprak over Brahma, Shiwa en Vishnu.
Deze wezens kan men ahw. als het hogere, geestelijke
‘wereld-IK’ zien… De gehele kosmos is hun lichaam, de engelenhiërarchieën
zijn ahw. hun lichaam en ziel. Vergelijken we het microkosmisch met de mens in
het klein, dan corresponderen zij met de 3 geestelijke wezensdelen.
Zij werken door de 3 engelenhiërarchieën heen,
aldus:
God:
Correspondeert bij
de mens met: Werkt via
de engelenhiërarchie:
Vader
Atma – Geestmens
1e h.: Serafijnen, Cherubijnen, Tronen
Zoon Boeddhi
– Levensgeest
2e h.: Kyriotetes, Dynamis, Exusiai
Geest
Manas – Geestzelf
3e h.: Angelos, Archangelos, Archai
________________________________________________
De kosmische evolutie
De
wereld-(mensheids-)evolutie is vergelijkbaar met de dagen van de week, die ieder
een planetennaam hebben in dezelfde volgorde als de benamingen van de 7
kosmische evolutiefasen.
De
aarde-evolutie omvat echter 2 planetenfasen, de 1e helft is de
Mars-evolutiefase, de 2e helft, de Na-Christelijke helft is de
Mercurius-evolutiefase.
Dat duidt op verharding en verstening, mineralisering in de 1e
fase, de Marsfase (samenhangend met ijzer), en vervloeiing in de 2e ,
de Mercuriusfase (samenhangend met het Mercuriusmetaal, kwikzilver, dat
vloeibaar is!).
Christus komt in de Mercuriusfase als de ‘heiland’, de genezer, degene die ‘heilt’ ofwel ‘heelt’. Mercurius symboliseert de dokter en Christus is ahw. de ‘werelddokter’, ofwel ‘heler’, de Heeland’ ofwel de ‘Heiland’.
(zie
het hoofdstukje: Christus als de Heiland)
__________________________________________
De 7 tonen van de toonladder (intervallen)
hangen ook met de 7 planeten samen.
1. Het oude Saturnus; Zaterdag Stoffelijk lichaam;
2. De oude Zon; Zondag; Levenskrachtenlichaam
3. De oude Maan; Maandag; Astraal(ziele)lichaam;
4. Aarde-evolutie;
a/
Mars-fase (voor-Christelijk)
Dinsdag;
Ziele-ontwikkeling;
b/ Mercurius-fase (na
Christus)
Woensdag;
Ik-ontwikkeling;
5. Toekomstige Jupiter-evolutie; Donderdag; Geestzelf-ontwikkeling;
6. Toekomstige Venus-evolutie; Vrijdag; Levensgeest-ontwikkeling
7.
Toekomstige Vulcanus-evolutie;
Zaterdag;
Geestmens-ontwikkeling;
het
oude Saturnus stoffelijk
lichaam
warmte
zaterdag
G
De
oude Zon levenslichaam
lucht/licht
zondag
A
De
oude maan astraallichaam
vloeibaar-water
maandag B
1e
helft aarde (mars) lager IK
vast-aarde
dinsdag
C
2e
helft aarde (Mercurius)
hoger IK
lost op
woensdag D
Jupiter
(toekomst) geestzelf/manas
vloeibaar
donderdag E
Venus
(toekomst) levensgeest/boeddhi
gasvormig vrijdag
F
Vulcanus
(toek.) geestmens/atma
warmte
zaterdag
G
De mens kreeg zijn 4 wezensdelen achtereenvolgens
geschonken van de wezens die momenteel in de Saturnus-, Jupiter-, Mars- en
Zonnesfeer leven: De Tronen, de geesten van de wil gaven ons het stoffelijk
lichaam, de Exusiai het levenslichaam, de Dynamis het astraallichaam, de Exusiai
het IK.
Deze
wezens zijn ook de scheppers van de groepsgeesten van de mineralen, planten,
dieren en mensen.
Vandaar dat Saturnus/Chronos met het minerale rijk en
ons skelet samenhangt, het is het beeld van de dood, het dode stoffelijke
lichaam.
Jupiter/Zeus
schept het levenslichaam en dus ook levende weefsel om het skelet heen en ook
het spierweefsel, daarom werd de sportbeoefening aan Zeus opgedragen, die immers
op de berg de Olympos woonde: de Olympische spelen!
Mars/Ares
schiep ons astraallichaam, wat vooral leeft in het luchtvormige. Vandaar dat
Mars/Ares over de adem en de spraak, het woord gaat.
Met ons astraallichaam leven wij evenals de dieren in
een groepsziel, in een volk, en als 2 volkeren ruzie krijgen is er sprake van
oorlog. Daarom werd Mars de god van de oorlog.
De
Zonnewezens schiepen ons IK.
De ‘Zoon Gods’, Christus werkt via deze wezens
van de 2e hiërarchie en is vleesgeworden in Christus. Christus geldt
als de schepper van ons goddelijke IK, en op de Zondag gedenken wij de
vleesgeworden Zonnegod.
Christus is de groepsgeest van de mensheid als
geheel. Hij staat voor het ontwikkelen van vrijheid en liefde.
Door ons geestelijk met Christus, de
‘Christuskracht’ te verbinden zullen we in de toekomst het materialisme
overwinnen.
De 7 tonen kan men ook met de intervallen verbinden. De G=priem (Saturnus) staat voor het stoffelijk lichaam, de G-A (Zon) voor de secunde, G-B=terts etc. Vulcanus is dus het ‘octaaf’, het einddoel van de ‘kosmische toonladder’…
______________________________________________________
Christus is de aanvoerder van de mensheid die de mensheid voorgaat opdat de mensheid zich in de toekomst geestelijk weer kan verenigen met de geestelijke wereld, met God. Dit betekent dat de mensheid weer ‘één’ met de geestelijke wereld zal worden, de mens en de geestelijke wereld zullen dan weer ‘een geheel’ worden, een ‘eenheid’, de wereld zal weer ‘heel’ worden. Daarom is Christus de ‘Heeland’ ofwel ‘heiland’, de ‘heler’, de genezer. In de parabel van ‘de verloren zoon’ zien we dan hoe de zoon weer terugkeert naar het huis van zijn vader. Dit eenworden kan alleen maar gebeuren door middel van de liefdekracht. De liefde beweegt ons ertoe met het andere of de ander te willen versmelten, één te worden, een geheel te worden.
Samengevat
kan men zeggen dat al het ‘kwaad’ erop berust dat men zich van het andere
‘afzondert’, men er zich van afscheidt. Het boze komt overeen met de
antipathie-kracht, de haat, de ‘kwaadheid’ bv. die aanzet tot afscheiding.
Het
‘Goede’ berust op het zich verenigen met de ander of het andere, door de
liefdekracht van de sympathie, de openheid, interesse, inlevingsvermogen,
medelijden, identificatie, meevoelen, meedenken, meewillen, medemenselijkheid,
meeleven etc.
In
wezen kunnen alle ziekten dan ook worden overwonnen doordat de ziel zijn
antipathie leert omzetten in sympathie, en vertrouwen, moed, hoop, loslaten,
delen, vreugde, broederschap, berusting, innerlijke vrede, wijsheid, interesse,
etc. leert ontwikkelen.
Zie wat dat betreft ook de boeken van Louise Hay en anderen ivm. de geestelijk-psychische oorzaken en genezingsmogelijkheden van ziekte.
Volgens
Steiner is dus ‘het mysterie van Golgotha’, de kruisiging van Christus op de
heuvel van Golgotha, de meest cruciale gebeurtenis van de aardse en kosmische
wereld- en mensheids-evolutie. Het is de grote ommekeer van de wereld-evolutie
die zich tot dan toe had bewogen in de richting van verharding en
afgescheidenheid, en wat rond die tijd (de Romeinse tijd) zijn dieptepunt had
bereikt. Hierna begon de Na-Christelijke tijd, die zich zal bewegen in de
richting van ontharding, verzachting en ‘heelwording’, ‘eenwording’.
Natuurlijk
is dit tijdperk in het geheel van de kosmische wereld-evolutie nog maar net
begonnen, en staat het ‘Christendom’ als zodanig nog maar in de
kinderschoenen.
______________________________________________________
De Aarde-evolutie
Tijdens de aarde–evolutie zijn er meerdere grote evolutiefasen die door Steiner oa. de 1/ Polaire 2/ Hyperboreische 3/ Lemurische 4/ Atlantische 5/ Na-atlantische evolutie-fasen worden genoemd.
Als
hoofdtaak van de mensheidsontwikkeling moest de mensheid in de Na-Atlantische
tijd aan de ontwikkeling van de denkkracht werken, terwijl men tijdens de
Atlantische periode aan de geheugenkracht moest werken.
Tijdens de Lemurische evolutie werkte de mens aan de
wilskracht…
De
‘Ik-vonk’ ontwikkelde zich bij de mensheid in kiem pas tijdens de
Atlan-tische evolutie, en bij een klein gedeelte van de mensheid aan het eind
van de Lemurische evolutie.
DE ZEVEN
“WORTELRASSEN” / ‘TIJDPERK-TOESTANDEN’ :
1. POLARISCH TIJDPERK (azoïcum)
2. HYPERBOREISCH TIJDPERK (palaeozoïcum)
3. LEMURISCH TIJDPERK (mezozoïcum)
4. ATLANTISCH TIJDPERK (tertiair)
5. NA-ATLANTISCH/HEDENDAAGS TIJDPERK (vanaf het diluvium)
6. HET “ZEGEL-TIJDPERK” VAN DE APOCALYPTISCHE RUITERS
7. HET “BAZUINEN-TIJDPERK” VAN DE “7 SCHALEN VAN TOORN”
“Meetbare tijd” in de
huidige zin vinden we volgens S. von Gleich (7000 Jahre Urgeschichte) slechts in
de periode vanaf de 4e Atlantische cultuur-periode tot de 4e “Zegel-periode”....
In wezen gaat het bij de 1e 3 ‘tijdperktoestanden’ om een
verkorte herhaling van de 3 eerdere planetaire evolutiefasen. (Polaris =
herhaling oude Saturnus, Hyperborea = herhaling oude Zon, Lemurië = herhaling
oude Maan)
Later
zal nog iets vermeld worden over de oertijd van de aarde-evolutie, zoals Steiner
dit beschrijft in oa. ‘Wetenschap van de geheimen der ziel’.
_____________________________________________
Het Antroposofisch wereldbeeld gaat ervan uit dat de
evolutie in de tijd bepaald wordt door cycli van veelvouden van zeven.
In totaal gaat het om: 7x7x7x7x7x7=16.807
evolutiefasen.
De 7 hangt samen met de 7 planeten.
Het gaat om 7 planetaire evolutiefasen (bv.: de oude
Saurnus-evolutie, de oude Zonne-evolutie etc.), onderverdeeld in 7 “ronden”
(7x7=49), deze zijn weer onderverdeeld in 7 “Vorm-toestanden” (7x7x7=343
vormtoestanden).
De 7 Vormtoestanden worden weer verdeeld in 7
“Wortelrassen”, ofwel “Tijdperk-toestanden” (bv. zoals op onze
aarde-evolutie: De Lemurische evolutie, de Atlantische evolutiefase, de
Na-Atlantische evolutie-periode etc.).
Er zijn dus in totaal: 7x7x7x7=2401
“Wortelrassen”.
________________________________________________________
De zeven Na-atlantische Cultuurtijdperken
De na-atlantische periodes (cultuurtijdperken) zijn
de volgende:
DE
ZEVEN CULTUURTIJDPERKEN
(“Onderrassen”)
van het “Na-atlantische” “Wortelras” (ofwel “Tijdperk-toestand”):
1. Oer-Indisch, Kreeft-tijdperk; 7227-5067 vc.
2. Oer-Perzisch, Tweelingen-tijdperk; 5067-2907 vc.
3. Egyptisch, Stier-tijdperk; 2907-747 vc.
4. Grieks-Latijns, Ram-tijdperk; 747 vc.- 1413 nc.
5. Hedendaags, Vissen-tijdperk; 1413-3573 nc. “Bewustzijnsziele-tijdperk”
6. Russisch-Slavisch, Waterman-tijdperk; 3573-5733 nc. “Geestzelf-tijdperk”
7. Amerikaans, Steenbok-tijdperk; 5733-7893 nc.
De genoemde grotere periodes ofwel ‘Wortelrassen’ (bv. Lemurië, Atlantis etc.) ofwel ‘tijdperktoestanden’ worden weer in 7 perioden onderverdeeld.
In de Theosofie worden deze “Onderrassen” genoemd.
Steiner, die aanvankelijk de theosofische terminologie overnam verving gelei-delijke aan veel theosofische termen voor zijn eigen (Antroposofische) terminologieën, en het woord ‘onderras’ verving hij voor het woord: ‘Cultuurperiode’, ofwel ‘cultuurtijdperk’.
Men kan wellicht ook spreken over: Subperioden.
Deze
“subperioden” duren, althans in de evolutiefase dat er überhaupt sprake kan
zijn van “meetbare tijd”: 2160 jaar.
(er zouden dan voor de gehele wereldevolutie, van het oude Saturnus tot en met het toekomstige Vulcanus, in totaal: 7x7x7x7x7=16.807 “subperioden” zijn)
-De 2160 jaar zijn afgeleid van het zg. “Platonisch wereldjaar”, het zijn “Wereldmaanden”.
Ieder jaar, als de zon het lentepunt bereikt
(zij gaat dan van Vissen naar Ram) , blijft zij een klein beetje achter,
en na 2160 jaar is het lentepunt verschoven naar het begin van het
dierenriemteken Vissen.
Na 25.920 jaar staat de zon weer op haar
uitgangspositie: Het begin van de Ram.
Het dierenriemteken wat gedurende zo’n “wereldmaand” in het lentepunt (het vaste ‘Rampunt’) staat kleurt dan de tijdsgeest van een cultuurtijdperk.
-Uit
de Theosofie komt het begrip “Rassen” ed.
Dit begrip is verwarrend, in een cultuurperiode gaat
het om een tijdsperiode dat er een bepaalde cultuur- en bewustzijnsevolutie
plaatsvindt.
Meestal is er een bepaald volk of een aantal volkeren dat de aanzet geeft tot een nieuwe ontwikkeling in de cultuur (hetgeen voortspruit uit een nieuwe ontwikkeling in hun geestelijke evolutie).
Na verloop van tijd kunnen zulke volkeren echter ook andere volkeren beïnvloeden zodat ook deze aan deze cultuur- en bewustzijns-evolutie gaan deelnemen.
In
onze huidige evolutiefase, waarbij de West-Europese volkeren de aanzet tot
nieuwe ontwikkelingen gaven (bv. de ontwikkeling van de natuurwetenschap ed.),
zien wij dat ondertussen deze “cultuur” zich over de gehele aarde verspreid
heeft, zodat ook een Aboriginal, die vorig jaar nog in het “stenen tijdperk”
leefde naar de universiteit kan gaan en in enige decennia tijds net zo’n
geleerde professor kan worden als iedere West-Europese mens zou kunnen worden.
-Dit heeft dus niets met “rassen” te maken.
Dit geldt ook voor de andere tijdperken: Ook een “niet-Griek” kon bv. 300 vc. deelnemen aan de cultuurontwikkeling die de “Verstands-gemoedsziele-ontwik-kelings-periode” bij de mensheid opriep.
Binnen een zo’n “Wortelras”, bv. onze
“na-atlantische” evolutieperiode zijn er dus weer 7 subfasen,
cultuurperioden dus, zoals bv. de Egyptisch-Babylonische periode, de
Grieks-Latijnse periode (volgens Steiner tussen ca. 747 vC. en 1413 nC.).
Tijdens
zo’n cultuurperiode ‘werkt’ de mensheid aan een bepaald wezensdeel, wat
niet wil zeggen dat de andere wezensdelen er niet zouden zijn, maar de nadruk
ligt dan op de ontwikkeling van dit wezensdeel, wat zich uitdrukt in de
kenmerken van zo’n cultuurtijdperk bij deze betreffende volkeren.
periode: wereldmaand: tijdperk arbeid aan het/de:
Oer-indisch Kreeft 7227-5067 vc. etherlichaam
Egyptisch/Babylonisch Stier 2907-747 vc. gewaarwordingsziel
Grieks-Latijns, Middeleeeuws Ram 747 vc.- 1413 nc. verstands-/gemoedsziel
West-Europees, Angelsaksisch Vissen 1413-3573 nc bewustzijnsziel
Russisch-slavisch Waterman 3573-5733 geestzelf
De huidige evolutie-fase (de Bewustzijns-zieleperiode)
begon rond 1413 met het tijdperk genaamd: de
Renaissance. Toen brak er een “nieuwe tijd” aan. Het was de tijd
van de ontdekkingsreizen, de ontwikkeling van de moderne wetenschap, een geheel
nieuwe evolutie in de kunst, de meerstemmigheid in de muziek, het perspectief,
het portret en het zelfportret in de schilderkunst etc.
Het
begin van het Grieks-Latijnse tijdperk (tussen ca. 800-400 v. C.) wordt door
Jaspers de ‘Gründerzeit’ genoemd. Overal in de wereld staan er grote
wijsgeren, denkers en religieuze leiders op die een nieuwe impuls geven aan de
betreffende culturen: De Griekse filosofen (oa. Socrates, Plato, Aristoteles),
Boeddha in India, Lao Tse in China etc. Dit duidde op een ‘nieuw
bewustzijn’, dat de mensheid op een nieuwe, meer bewuste wijze in het leven
ging staan.
________________________________________________
De Atlantische evolutie bestond volgens Steiner ook weer uit 7 ‘cultuurperioden’ (voor zover men er over ‘cultuur’ kon spreken) die 7 wereldmaanden omvatten die elk weer in het teken van een bepaald dierenriemteken stonden, aldus:
Dominerend volk:
Wereldmaand:
tijdperk:
1/ Rmoahals; Watermantijdperk ? (22347-20187)
2/ Tlavatli;
Steenboktijdperk
? (20187-18027)
3/ Oer-Tolteken;
Boogschuttertijdperk (het begin vd. meetbare tijd vanaf:)
4/ Oer-Toeraniërs;
Schorpioentijdperk
15867-13707 vc.
5/ Oer-Semieten;
Weegschaaltijdperk
13707-11547 vc.
6/ Oer-Akkadiërs;
Maagdtijdperk
11547-9387 vc.
7/
Oer-Mongolen; Leeuwtijdperk
9387-7227 vc.
De Atlantische ontwikkeling vond plaats op een
continent dat thans de bodem van de Atlantische oceaan vormt. Het einde van de
Atlantische ontwikkelings-periode werd veroorzaakt door overstromingen, hetgeen
bij alle volkeren van de aarde voortleeft als de mythe van de zondvloed.
In
de Bijbel vinden we het als het verhaal van Noach en de Ark.
De vroege Atlantiërs hadden nog magische macht over
de etherische natuurkrachten, waren nog helderziend en hadden een droomachtig
bewustzijn.
Atlantis
was in mist en nevels gehuld, het was nog niet mogelijk zon en sterren
stoffelijk te aanschouwen.
De
Atlantiërs ontwikkelden een formidabel geheugen, maar konden nog niet denken.
Hun cultuur was daarom zeer conservatief.
De Atlantiërs werden door de verschillende orakels
of mysteriën geleid, dat waren plekken van waar uit het volk door de
priesterwijzen, de ingewijden werden geleid die in contact stonden met de
verschillende planetengoden.
Zo was er bv. een Zonne-orakel, een Jupiter-orakel
etc.
Ook
hadden de Atlantiërs bv. vliegmachines, die echter werkten op
‘levens-krachten’ die uit plantenzaden werden ontleend, niet op technische
krachten zoals tegenwoordig. Deze vliegmachines konden zweven dankzij de nevels
van de nog dikke, waterige atmosfeer. (nu zou dat niet meer kunnen)
De 1e 2 Atlantische ‘rassen’ leefden
nog geheel in eenheid met de natuur, als natuurvolkeren. (deze waren de
voorlopers van het zwarte en bruine ras)
Bij
het 2e ras begint zich iets te ontwikkelen van een geheugen, en
voorouderverering.
Bij
de Oertolteken, de ‘Oer-Indianen’ begint een eerste vorm van statenvorming
en een soort theocratische heerschappij door priesterwijzen.
Tijdens het 4e tijdperk begint een
crisistijd. (de ahrimanische zondeval) Door verharding van het egoïsme beginnen
deze voorouders van het gele ras misbruik te maken van de magische
natuurkrachten (het verraad van de Vulcanusmysteriën). Een tijd van grote
oorlogen en wrede en sadistische bloedbaden breekt aan, tovenarij, zwarte magie,
demonenverering, mensenoffers, vampirisme etc.
Deze
crisis wordt ook in de Bijbel beschreven bij Noach, die dan genoodzaakt is de
Ark te gaan bouwen omdat hij de zondvloed voorziet.
Door
het misbruik van de levenskrachten door de Oer-toeraniërs wordt de natuur en de
atmosfeer, het weer in de war geschopt en ontstaat de zondvloed die een gedeelte
van Atlantis vernietigt.
De
Oersemieten zijn de voorouders van het blanke ras, en bij deze begint zich voor
het eerst in kiem de denkkracht te ontwikkelen, waardoor echter de magische
macht die men vroeger over de natuur had langzamerhand teniet wordt gedaan. De
nevels van Atlantis trekken op, voor het eerst wordt de hemel met de zon en de
sterren zichtbaar. Door het verlies van de magische macht over de natuur en de
plantenwereld moeten de Atlantiërs nu voor het eerst een meer technische
cultuur gaan ontwikkelen die gebaseerd is op de denkkracht, de ratio,
ipv. een intuïtieve magische macht over de natuur zoals de vroege
Atlantiërs.
Bij de
Oerakkadiërs begint zich voor het eerst iets te ontwikkelen van scheepvaart,
kolonisatie en handel. Dit was een meer slim en ondernemend ‘ras’.
Atlantis
verzinkt steeds verder in de Atlantische oceaan. Bij de Oer-Mongolen (die
gedeeltelijk reeds OostAzië bewonen), herleeft nog iets van de tovenarij van de
Toeraniërs waardoor de laatste rest van Atlantis in de oceaan verzinkt.
________________________________
Wie geïnteresseerd is in Atlantis raad ik aan,
behalve de genoemde boeken van Steiner (‘Geheimwissenschaft’ en: ‘Unsere
Atlantische Vorfahren’ uit ‘Aus der Akashakronik’), de boeken van
Sigismund von Gleich over dit onderwerp te lezen: ‘Der Mensch der Eiszeit und
Atlantis’ (J. Ch. Mellinger Verlag), en: ‘Siebentausend Jahre Urgeschichte
der menschheit’ (een aanvulling op het eerdere boek).
Ook
Günther Wachsmuth (‘Werdegang der Menschheit’, Verlag am Goethea-num, 1953)
en Ernst Lehrs hebben belangwekkende boeken over de oergeschiedenis en de
IJstijd geschreven.
Overigens
geeft Steiner in ‘Onze Atlantische voorouders’ zelf aan dat zijn boek over
de Atlantiërs een aanvulling is op een theosofisch boek over Atlantis van
Scott-Elliot (‘Legends of Atlantis and Lost Lemuria’; Quest Books), zodat we
kunnen aannemen dat wat hierin staat volgens Steiner bonafide is.
Ook
een grappig en lezenswaardig boekje over Atlantis is te vinden bij de
‘Ankertjes’ van Ankh Hermes: ‘Atlantis’ van Peter Michel.
Overigens zijn er naar mijn bescheiden oordeel ook veel New-age-boeken over Atlantis waarvan het waarheidsgehalte dubieus lijkt, vooral als men de Atlan-tiërs een hoge technische beschaving met electrische apparaten en atoombommen ed. toedicht, zeker als men het dan ook nog over UFO’s ed. heeft…
_____________________________________________________________________________
De eerste 3 aarde-evolutie-fasen
Het 1e, Polaire ‘wortelras’ geldt als
een herhaling van het oude Saturnus.
In dit tijdperk, het oude Saturnus, verdichtte de
substantie van de wereld zich echter alleen maar tot een soort onzichtbare
warmte.
De grootte van deze warmtesfeer was zo groot als de
ruimte die omvat wordt door de omloop van de planeet Saturnus.
Mensen,
dieren, planten en mineralen als zodanig bestonden nog niet. De oerwarmte was
een soort onzichtbaar kosmisch ‘oerembryo’, waarin in kiem alle later
uitgevormde wezens, planeten en natuurrijken etc. vervat waren.
Deze menselijk-kosmische oerkiem bestaat slechts uit
een uit warmte bestaand stoffelijk lichaam, dat door de wezens uit de
Saturnussfeer, de Tronen, de gees-ten van de wil wordt gecreëerd. (deze laten
hun oerwil in de wereld uitstromen)
Ook begint tijdens het Polarische tijdperk Saturnus zich als aparte planeet uit te vormen…
________________________________
Het Hyperboreïsche wortelras geldt als een herhaling
van de oude zonne-evolutie. De kosmos verdichtte zich tijdens de oude
Zonne-evolutie tot lucht en licht.
We
kunnen ons voorstellen dat zich dat nu herhaalt, waarbij de substantie van de
wereld (het menselijke oerembryo) doortrokken wordt door levenskrachten. De
grootte van dit stralende, lichtende hemellichaam was zo groot als de baan die
de planeet Jupiter maakt. Het waren ook de wezens uit de Jupitersfeer (de
Kyriotetes) die deze wereld hun levenskracht schonken.
In deze oerlichtwereld, waarbij we ons kunnen voorstellen dat zij uit één grote Zon bestond die langzamerhand steeds meer in ging krimpen zien we eerst dat ze zodanig inkrimpt dat de planeet Jupiter als aparte planeet uit de oerzonnemassa wordt uitgescheiden. De Zon krimpt daarna verder, waarna de planeet Mars, dan de planeet Aarde (toen nog een met de Maan), daarna de planeet Venus en tenslotte de planeet Mercurius als aparte hemellichamen zich losmaken van de Zon.
We
moeten ons echter voortstellen dat deze wereld nog geheel gasvormig is.
__________________________________________________
Het Lemurische wortelras wordt gezien als de
herhaling van de Oude Maan-evolutie, wat betekent dat de wereld zich verdicht
tot het vloeibare (aan het eind van de Lemurische tijd verhardt het zich echter
wel verder, tot het vaste), en dat deze doortrokken zal worden door het
dierlijk-astrale, dat door de wezens uit de huidige Marssfeer, de Dynamis aan
het ‘Oerembryo’ wordt geschonken.
Aan het begin van de Lemurische tijd is de wereld
echter nog steeds gasvormig en de planeten hebben nog niet hun huidige
planetenbanen ingenomen.
Inderdaad schenken de Marswezens, de Dynamis aan de
aarde met haar ‘oer-embryo’ het dierlijk-astrale, de ziel, en wel daardoor,
doordat de planeet Mars (en haar bewoners, de Dynamis, die deze natuurlijk als
hun lichaam besturen) een doorgang maakt door de nog etherisch-gasvormige
planeet Aarde, en daar ook meteen het (nog etherische) ijzer, het Mars-metaal
afzet.
(het binnenste van de aarde bestaat tegenwoordig dan
ook uit een ijzeren kern van precies de afmeting van de planeet Mars !
-¼ van de aarde)
Hierdoor
ontstaan in de etherische, levende atmosfeer van de aarde de
dierlijk-plantaardige (menselijke) oervormen…
Ook
vindt rond die tijd de ‘hemelse strijd’ plaats, de strijd tussen Lucifer en
Michael.
Tijdens de Lemurische evolutie valt namelijk ook het
eerste ingrijpen van de Luciferische machten….
Tussen
de Mars- en de Jupitersfeer vinden we de zg. ‘planetoïden’, die als een
soort weerslag van deze oude hemelse strijd gelden. Tussen Jupiter (rest van de
oude Zon) en Mars (rest oude Maan) vinden we de plaats waar het ingrijpen van de
Luciferische machten plaatsvond. Hier ligt ook de grens tussen de thans vaste
planeten, (onder Mars, dus: Mars, Aarde, Venus, Mercurius) en de gasvormige
planeten (de ‘gasreuzen’: Jupiter, Saturnus ea.)
Dit
alles vond plaats tijdens het 2e Lemurische tijdperk (leeuwperiode,
het Precambrium).
Volgens Steiner is het niet zo dat de mens de
afstammeling is van de dieren, en deze weer van de planten ed. Het is net
andersom: Er was eerst een etherisch oer-embryo. Deze ontwikkelde zich
vergelijkbaar als een huidig menselijk embryo, dat ook ahw. een mineraal, een
plantaardig en een dierlijk stadium doormaakt. Uit dit oerembryo scheiden zich
door verdichtingsprocessen eerst de mineralen af, daarna de planten, daarna de
dieren, en tenslotte verdicht het oer-embryo zich tot de mens. Alle dieren
stammen dus van ‘de mens’, of liever gezegd een ‘oerembryo’ af dat alle
diervormen in zich samenvatte. Eerst de lagere dieren, daarna de hogere dieren.
De
mens zelf, zijn lichamelijke oerkiem, bleef zo lang mogelijk in een etherische
vorm in de atmosfeer rondzweven vooraleer het zich ging verdichten en een aardse
substantie ging aannemen. Nadat de apen en ook nog, als tussenvorm de te vroeg
verdichtte oermensen, zoals de Neandertalers zich van dit oerembryo hadden
losgemaakt, ging de mens zich verdichten van het etherische, naar het
gasvormige, het vloeibare en tenslotte tot het vaste, waarna ook nog de IK-kiem
door de mens kon ontvangen worden die door de Exusiai, de Bijbelse Elohin, (die
in de Genesis wordt aangeduid als het wezen die de wereld schept) de huidige
zonnewezens aan de mensheid werden geschonken.
Men
kan het zich zo voorstellen dat dit ‘oerembryo’ ahw. een gasvormig-etherisch
wezen is, groter als een planeet. Langzamerhand begint zich de minerale wereld
te vormen, het scheidt zich af van het oerembryo en de minerale aarde als
zodanig begint te ontstaan als basis waarop de andere natuurrijken zich kunnen
ontplooien. Dit is eerst ook nog gasvormig, maar verdicht zich dan langzamerhand
naar het vloeibare en gedeeltelijk al naar het meer vaste, alhoewel we ons
moeten voorstellen dat de aardkorst van de aarde ten tijde van Lemurië nog veel
zachter en beweeglijker is. Als zich dan de planten vanuit het oerembryo gaan
verdichten vinden deze de minerale wereld als hun basis waarop ze kunnen
wortelen. Daarna verdichten zich uit het oerembryo eerst de lagere dieren , de
eencelligen, de ongewervelde zeedieren etc. en dan steeds hogere dieren, die de
plantenwereld en de aardkorst als hun basis vinden. Tenslotte wordt de mens ook
fasegewijs vanuit dit kosmische oerembryo geboren.
Om nu verder te gaan met de Lemurische ontwikkeling:
Tijdens de 3e Lemurische fase (Kreeftperiode) begint de sedimentatie,
de minerale wereld scheidt zich af, de aardhuid ontstaat, ongewervelde
zeedieren, trilobieten, koralen, oervissen en zwemmende plantenoervormen, algen
en de eerste landplanten.
Deze
periode komt overeen met het Cambrium, het Ordovicium, het Siluur en het Devoon.
De
4e Lemurische fase (Tweelingen): De schepping van Adam en Eva als nog
etherische oermensen vindt plaats...
De Noordpool is tropisch, naar de Zon gekeerd, de
gebergten beginnen te ontstaan, Varens, paardestaarten en amfibiën ontstaan.
Het equivalent vinden we in het Carboon.
Het 5e Lemurische tijdperk, in welke de
‘Luciferische zondeval’ begint plaats te grijpen, de mens die ‘van de boom
der kennis’ eet, wat wil zeggen dat de oermens een eerste vorm van begeerte in
zijn astraallichaam gaat ervaren waardoor hij een elementair ‘eigenbeleven’
begint te ontwikkelen en zich voorzichtig los begint te maken van de geestelijke
oerverbondenheid met de goddelijke wereld. Deze Luciferische invloed drukt zich
als equivalent ook in de dierenwereld uit in het ontstaan van de groteske en
monsterlijke vormen van de dinosauriërs, een soort vleesgeworden
‘oernachtmerrie’-monsters, de boze draken van de mythologie…
(Stiertijdperk)
Door
het optreden van te grote verhardende krachten (door de ahrimanische wezens) in
de wereld dreigt de menselijke, nog etherische oerkiem te sterk te verharden
zodat verdere evolutie in de richting van de moderne mensvorm onmogelijk dreigt
te worden. De te sterk verharde substanties worden als een soort ‘slak’, een
soort uitscheidingsproduct, van de aarde weggenomen zodat deze weer een tijd
lang in een meer zachte en plooibare vorm kan blijven en zich verder kan
ontwikkelen. De dode, versteende uitscheidingsproducten worden van de aarde
weggenomen in de vorm van de uittreding van de Maan uit de aarde. Deze maakt
zich los uit de grote oceaan, de plaats waar nu de ring van vulkanen en
diepzeetroggen een herinnering vormen aan deze dramatische gebeurtenis.
De aardrotatie begint dan ook een dag- en nachtritme
te vertonen.
De naaldbomen ontstaan, de eerste reptielen en
ammonieten.
Deze periode komt overeen met het Perm en het Trias.
Het is ook de aanvang van het Mesozoïcum.
Het 6e Lemurische tijdperk (Ram): Grote
waterbewegingen. De gebergteketens rond de grote oceaan (Rocky Mountains, Andes,
Kamtsjatka, Japan, Indonesië, Oost-Australië, Nieuw-Zeeland) ontstaan doordat
de continenten die kant uit bewegen om de wond die ontstaan is door het
uittreden van de oude Maan te helen. De atmosfeer wordt meer lichtdoorlaatbaar
en doorvloeid.
Palmvarens,
oervogels, reuzenreptielen en de eerste zoogdieren verschijnen.
Het is het equivalent van de Jura.
7e Lemurische tijdperk (Vissen): Lemurië
lag op de plaats waar nu de Indische oceaan zich bevindt (op Madagaskar vinden
we overigens de ‘Lemuren’…).
Het
oude Lemurië was ook een wereld met veel vulkanen en aardbevingen. De aardkorst
was nog plastisch beweeglijk, niet tot rust gekomen zoals tegenwoordig.
Voortdurend veranderde de bodem, de aardkorst, alles was nog in beweging.
Het
luciferisch vuur van het Promethïsche rebelse zelfbewustzijn van de mens die
ahw. ‘het IKvuur’ van de goden had geroofd (vuurspuwende draken !!) drukte
zich als equivalent uit in de vulkanische activiteit en het vuur waar de
Lemurische wereld van vergeven was.
De
eerste Lemuriërs die een enigszins mensachtige voorvorm begonnen aan te nemen
moesten hun wilskracht leren ontwikkelen. Dit drukte zich ook uit in een soort
wilde strijdvaardigheid, barbaarse oerdriften en wildheid in krachtpatserij en
krachtmetingen etc.
De
vrouwen uit de Lemurische periode ontwikkelden al een eerste vorm van min of
meer beschaving en beheersing, ze konden dmv. een soort gezang en be-wegingen
een beschavende werking op deze barbaarse oermensen uitoefenen.
Het Luciferisch vuur van de zelfzucht, het egoïstische menselijke IKvuur
vond zijn equivalent in het vulkanische vuur uit de aarde, dat onder invloed van
dit te overweldigend geworden luciferische Ikvuur van de mens Lemurië verwoest.
Lemurië gaat ten onder aan vuur- en vulkaanrampen. Het is het moment waarvan de
wetenschap denkt waarop 65.000.000 jaar geleden een meteor op aarde zou zijn
neergekomen die een gigantische natuurramp zou hebben veroorzaakt waardoor de
dinosauriërs zouden zijn uitgestorven.
Typerend
is wel dat het ergste monster, de tyrannosaurus, in de laatste periode van
Lemurië ontstond als uitdrukking van het equivalent van het te overweldigend
geworden IKvuur van de mens….
In deze
periode vinden we de eerste bloeiende planten (naaktzadigen) en loofbomen,
tandvogels en kruipende dieren. Het geologische tijdperk is het Krijt.
De laatste Lemuriërs zijn ook de voorouders van het negroïde ras. Dit heeft wellicht te maken met het feit dat men het ontstaan van de oermens in Afrika vermoedt. Ook opmerkelijk is het feit dat men aan beide kanten van de Indische oceaan, het oude Lemurië, het zwarte ras aantreft: Australië en Afrika, Aborigi-nals en Afrikaanse negers. Ook de huidige natuur vertoont er bepaalde oertrek-ken. De natuur van Afrika heeft veel grote hoef- en roofdieren die sterk tot de verbeelding spreken. De kangoeroe heeft nog een soort dinosauriër-achtige vorm en loopt/springt op zijn 2 achterpoten evenals bv. een kip….
________________________________________________
De evolutie tijdens de Atlantische periode
Tijdens de vroege Atlantische evolutie had de mensheid nog een zacht, meer vloeibaar-plastisch, niet verhard lichaam met hoogstens kraakbeen. Van deze oermensen kan dus geen skelet worden gevonden.
De 1e 3 Atlantische perioden komen overeen
met het geologische Tertiair, de laatste 4 periodes met het Kwartair.
Het
1e atlantische ras komt overeen met het Paleoceen, het Eoceen en het
Oligoceen. Het 2e ras komt overeen met het Mioceen, het 3e
met het Plioceen.
Het 4e t/m het 7e Atlantische
ras komt met het Dilivium overeen.
-De gebeurtenissen tijdens het 1e
Atlantische ras:
De aarde wordt bolvormig en de planten differentiëren
zich tot hun huidige variaties. De oerhoefdieren, de oerroofdieren en de hogere
zoogdieren stammen in die tijd van de oermens af.
Tijdens
de 2e Atlantische periode koelt de atmosfeer langzaam af, de apen en
primaten maken zich los van de mens.
Tijdens
de 3e atlantische periode vinden plastische omvormingen van de aardkorst plaats,
Alpiene gebergteformaties ontstaan oa . (tijdperk van de oer-Indianen)
Tijdens
het tijdperk der Oertoeraniërs worden de mensen oa. door de Schorpioeninvloed
zich bewust van hun geslachtskrachten, wat samenhangt met het misbruik van de
zwarte magie en de tovenarij. Ook drukt de ahrimanische invloed van de 2e,
de ‘ahrimanische zondeval’ zich uit in het feit dat de wereld nu zodanig
begint te verharden tot in het meet- en weegbare dat voor het eerst gesproken
kan worden van meetbare tijd.
De ahrimanische verstarrings- en versteningskrachten
drukken zich ook uit in het begin van de IJstijden. De eerste mensenskeletten
kunnen nu pas gevonden worden, maar deze zijn veelal van de door de ahrimanische
zwart-magische invloed te vroeg verharde mensensoorten die gedegenereerde
tussenvormen zoals Neandertalers ed. in het leven riepen.
In
de dierenwereld ontstaan de Katachtigen.
Aan het einde van de Oer-toeranische tijd vinden we
het midden van de gehele kosmische ontwikkeling.
In
de Oer-semitische 5e Atlantische fase is het menselijk lichaam af, en
de eerste mensenresten kunnen ervan gevonden worden.
De mens verhard zich nu zodanig dat hij zich kan
strekken en rechtop kan gaan lopen over de aarde. Als equivalent ontstaan de
hoefdieren.
Door het rechtop lopen kan ook de mens de 1e
vorm van denken gaan ontwikkelen.
Noachs uittocht uit Atlantis begint in deze tijd.
Het
6e tijdperk: Het hoogtepunt van de IJstijd. De Oer-akkadiërs kunnen
we ook Oer-Phoeniciërs noemen.
Tijdens
het 7e Atlantische tijdperk wordt Atlantis langzaam ten gronde
gericht door watervloeden. De Oer-mongolen zetten de zwart-magische cultuur van
de Oer-toeraniërs voort van het misbruik der levenskrachten.
De IJstijden trekken zich terug.
Wie geïnteresseerd is op welke wijze de dieren
precies van de mens afstammen, wat zich afspeelde tijdens de Lemurische en
Atlantische tijd en hoe deze evolutie precies is gegaan kan ik aanraden het zeer
lezenswaardige boek van Hermann Poppelbaum te lezen: ‘Mens en dier’, het
hoofdstuk over de evolutie en alle voors en tegens van de darwinistische
evolutieleer tegenover de antroposofische evolutieleer.
Hoe
verder we teruggaan in de evolutie, hoe meer de dieren op de menselijke oervorm
gaan lijken. Bv. jonge aapjes, en embryo’s hebben nog een hoog voorhoofd en
nog geen uitstekende kinnebak, evenals de mens.
Bij de evolutie van het paard zien we hoe het huidige
paard slechts een teen heeft omgevormd tot een hoef. De Mesohyppus heeft echter
nog 3 tenen, en de Eohyppus, het oerpaardje heeft 5 tenen !
De oervoorouders van de vogels en de reptielen, de
dinosauriër liep net zoals mensen op zijn achterpoten, zo half rechtop, zijn
voorpoten als een soort handen zoals de mens.
Ook
in de embryologie zien we dat de embryo’s van zowel krokodillen als allerlei
zoogdier- en vogelsoorten naarmate men teruggaat naar de beginvormen steeds meer
gaan lijken op het menselijke embryo, voordat ze zich gaan specialiseren op
allerlei organen.
Een excellente schrijver over het verschil tussen dieren en mensen en hun ontwikkeling is L. Mees, bv. het boek: ‘Mensen zijn wat dieren hebben.’
_____________________________________________
De Na-atlantische evolutie
Vanuit Atlantis gaan er verscheidene
volksverhuizingen richting het Oosten. Een belangrijke groepering stond onder
leiding van de grote ingewijde Manu, die als de stamvader van het Oer-Indische 1e
Na-atlantische cultuurtijdperk kan gelden. In het 1e tijdperk leefde
de mens nog sterk gericht met de aandacht op de geestelijke wereld. De aarde
werd gezien als ‘Maya’. De oude Indiërs lieten ons een hoge, verheven
wijsheid na. De Veda’s en de Indiase mythologie, de Yoga-inwijdingswegen, de
‘wijsheid uit het oosten’ etc. zijn er een laatste echo van...
De Oer-Perzische cultuurperiode kenmerkt zich oiv. de
Tweelingen door een tweespalt, een splitsing. De Zonne-ingewijdde Zarathustra
maakte de mensen attent op de tweeheid van materie en geest. De aarde en de
natuur was het oord waar de duisternisgeest Ahriman, Angru Manjoe werkte die een
antipode vormde tov. de verheven Zonnegod Ahura Mazdao, die voor de Geest stond.
Ahura Mazdao is dezelfde Godheid die later in het lichaam van Jezus als de
Zonnegod Christus op aarde zou incarneren en zich met de aarde- en
mensheids-evolutie zou verbinden.
In
deze periode ontstaat door het gebruik van wit-magische krachten uit gras het
koren en uit de wolf de hond. Domesticatie van dieren en de eerste vormen van
landbouw vinden plaats. Dit drukte de veredelende invloed van Ahura Mazdao uit.
In de wilde natuur, de wolf en andere wilde dieren werd het oord van Ahriman
ervaren……De oude Perzen waren voortdurend in conflict met hun buren de
toenmalige Toeraniërs, die hun zwart-magische practijken voortzetten en ook hun
nomadische levensstijl, waarbij ze zich verzetten tegen de levensstijl, het
ontstaan van landbouwgrond en boerderijen der Iraniërs.
Tijdens
de 3e, de Egyptisch-Babylonische periode verbond de mens zich al nog
meer met de doodskrachten van de aarde wat tot uitdrukking komt in het
mummificeren en de dodencultus etc. De mensen hadden echter nog meer een
mythisch beeldbewustzijn en werden theocratisch geleid door priesterwijzen
vanuit de mysteriën, de piramides waren immers ook inwijdingstempels.
De Farao was zowel wereldlijk als geestelijk leider: De opperpriester.
In deze tijd werden de mensen nog steeds min of meer
geleid door de Goden die via de orakels en de mysteriën in contact stonden met
de mensen. De farao of de opperpriester was nog steeds de spreekbuis van de
goden.
Bij
de oude Joden zien we een volk waarbij zich het IK zich al sterker ontwikkelt
als bij andere volkeren, daarom lag bij hen de nadruk op woord en zang, niet op
het beeld (zoals later ook bij de Duitsers, het moderne ‘Ikvolk’).
De
beelden van de andere volkeren waren nog naklanken van hun oude helderziendheid.
De Joden moesten dit al overwinnen en meer de innerlijke stem van de ‘Ik-ben-de-Ik-ben-IK’,
van Jahwe in zich laten spreken. Daarom had het Joodse volk als taak de komst
van de Messias voor te bereiden, de Zonnegod die aan de mensheid het hogere
‘IK’ zou schenken.
In
voorchristelijke tijden ervoeren de mensen hun IK nog buiten hun lichaam, en
projecteerden dat op de Farao die dan ook als een God werd vereerd, evenals een
klein kind zijn moeder en een puber zijn geliefde of zijn popidool vereert.
In
de Na-Christelijke tijd is het goddelijke Ik in ieder mens zelf geïncarneerd.
In de Na-Christelijke tijd zijn wij allen zèlf ahw. een ‘Farao’
geworden….
‘Ik ben een god in het diepst van mijn gedachten’
is het devies van de moderne mens. En de oude Joden anticipeerden dit reeds door
de verinnerlijking door de zang en het woord, en doordat in hen de
‘Ik-ben-IK’ ontwaakte van het Jahwe-wezen dat een van de Elohin ofwel de
Exusiaï, de zonnewezens is die de mensheid de IKvonk schonk. Mozes vernietigde
bv. ‘het gouden kalf’ wat het extatische mythische bewustzijn symboliseert
van het Stiertijdperk. De Joden dienden het ‘Lam Gods’ voor te bereiden’,
wat de IK-kracht wat in het denken, in het Ram-orgaan het voorhoofd van het
Ramtijdperk zou doen oplichten, en in welke tijd ook het mysterie van Golgotha
zou plaatsvinden, de verwachte Messias die de missie van het Joodse volk zou
vervullen.
Tijdens
de het Stiertijdperk was het magische woord van de Priester bepalend (de Stier
gaat over het strottenhoofd) dat samenhangt met het mythisch bewustzijn in
beelden. Aan het eind van het Stiertijdperk ontstaat de Griekse mythologie
waarin nog het imaginatieve helderziende bewustzijn van het Stiertijdperk
voortleeft (evenals in de mythologieën van alle andere volkeren uit het
Stiertijdperk).
In
de beelden van de Griekse mythologie wordt ook al de overgang van het Stier-
naar het Ramtijdperk uitgedrukt: We gaan van de Gewaarwordings-zieleperiode naar
de Verstandszieleperiode. Het zelfstandige denken van het Ram-hoofd zal
ontstaan, en het meer emotionele en mythische pre-logische denken in beelden en
de spraakmagie aflossen. Dit drukt de roof uit van het gulden vlies door Jason,
die het Ramsvel naar Griekenland brengt.
Ook
zien we hoe Theseus in het Labyrinth de Minotaurus (half Stier, half Mens)
verslaat, want doordat men nu door het ontstaan van het logische
‘Ram-denken’ in het labyrinth van de hersenen niet meer ‘de draad’ van
de gedachtengang kan kwijtraken wordt men niet meer opgevroten door de
Minotaurus, de Stierkracht van de oude prelogische helderziendheidskrachten…
Uit
het Ramshoofd van Zeus wordt ook de schutspatrones van de stad Athene geboren,
de godin van het logische denken. En daar in die Ram-stad Athene ontstond de
moderne filosofie, uit het Ramhoofd van Zeus ontstond de slimheid en het
logische denken van Athene in de vorm van de grote filosofen Plato en
Aristoteles. Aristoteles legt überhaupt de basis voor de moderne wetenschap.
In
Rome ontstaat de Verstandszielecultuur bij uitstek. De kinderen van Mars, de
heerser over Ram waren de stichters van deze stad: Romulus en Remus. In deze
stad ontstond ook de Jus(titia), het recht van de burger, het Romeinse recht wat
de uitdrukking is van een versterkt zelfbewustzijn van de mens, de burger.
Ook
kwam hier het materialisme dat wordt gesymboliseerd door de wolf (Romulus en
Remus als wolvenkinderen) al tot een zeker dieptepunt.
Niet
langer wordt de mens geleid door de Goden via de mysteriën, neen, de mens wordt
zèlf de baas, eerst in koninkrijken, dan in de republiek. De latere Romeinse
keizers regeerden niet meer vanuit goddelijke wijsheid maar vanuit egoïstische
hoogmoedswaanzin (zoals Caligula), vanuit ‘gezond verstand’ (bv. Vespasianus)
of soms een menselijke wijsheid (bv. Marcus Aurelius).
In dit
tijdperk vindt ook het ‘mysterie van Golgotha’ plaats.
Onder invloed van de tijdgeest van het materialisme
begrepen de Joden niet meer wat de eigenlijke missie van de Messias zou zijn.
‘Mijn rijk is niet van deze aarde’ verklaarde Christus. Hij kwam niet om de
Romeinen te verslaan en een Joods wereldrijk te creëren. Evenmin brak het einde
der tijden aan met het laatste oordeel. Hij zou wat veranderen in de geestelijke
aardeatmosfeer.
Wat
gebeurde was dat de Zonnegod, die tot dan toe zijn woonplaats op de Zon had
gehad, verhuisde naar de aarde en de Mensheids-aarde-geest werd. Dit duidt er
ook op dat in de verre toekomst de aarde zich weer zal verenigen met de Zon
aangezien de geestelijke sfeer van de aarde en de Zon zich weer verbonden.
Christus
zou nu voortaan dicht bij de mensheid zijn, zodat we hem meteen na onze dood
zouden aanschouwen als onze liefhebbende vriend en begeleider.
In
voor-Christelijke tijden kwam de mens na zijn dood in een duistere toestand
terecht, zoals door de oude Grieken wordt beschreven (dat kwam oa. door de
scheiding tussen de zonnesfeer en de aardesfeer). Christus doorlichtte de sferen
waar de mens na zijn dood terechtkomt met zijn Zonnekrachten, zodat hij voortaan
in een meer hemelse toestand kwam na zijn dood.
In
de Middeleeuwen ontstaat een grote cultuur van devotie en geloof, met stromingen
met mystieke neigingen (bv. Meister Eckhard), in welke tijd de Europese mens het
Christendom vooral met het gevoel in zich opnam.
De
materialistische Romeinse cultuur usurpeert echter de Christelijke gods-dienst
zodat het Rooms-katholieke geloof een militairistisch, Romeins-juridisch denken
in misdaad en straf en hiërarchische-militaire machtsindeling (priester,
bisschop, aartsbisschop, kardinaal, paus als equivalent van soldaat, sergeant,
kolonel, generaal) ontwikkelde dat weinig uitstaande heeft met het
Oer-Christendom, wat wel nog voortleefde in het esoterisch Christendom van de
Kelten, de Manicheeërs, de Katharen, Albigenzen, de Graals- en Arthurridders,
de Rozenkruisers en de Tempeliersorde etc.
Het rationele danken van de Verstandsziel wordt met veel vernuft door bv.
Thomas van Aquino toegepast op het geloof, met zijn ‘Godsbewijzen’.
Zoals
in de Scholastiek vinden we dat de verstandsziel veel vernuft en logisch denken
investeert in puur filosofische zaken, maar in het denken nog niet sterk uitgaat
van het fenomenologisch onderzoek van de aardse wereld.
Dit zou pas ten volle gebeuren onder invloed van de Bewustzijnsziel
in het Vissentijdperk wat in 1413 (1417?) aanvangt in de Renaissance.
In
dit tijdperk komt de mens pas volledig op aarde. Het tijdperk van de
ontdekkingsreizen, de wereldhandel over zee, de moderne wetenschap die zich
baseert op onderzoek en experiment en het Individualisme in de kunst breekt aan.
De meerstemmigheid in de muziek, het perspectief, het portret en vooral
het zelfportret in de schilderkunst kondigen deze nieuwe tijd aan.
Het
symbool van de Vissen hangt samen met voeten en handen. Vissen hangen daarom ook
samen met de handel (economie), datgene wat ‘van hand tot hand’ gaat, de
‘handen’ die ‘handelen’ en ‘verhandelen’ ! Zo ontstaat de handel, en
vooral roept de oneindige zee de nieuwe handige en handelende ‘Vissenmens’.
Het
begin van het Vissentijdperk wordt gesymboliseerd door de sage van ‘de
Vliegende Hollander’, de verdoemde scheepskapitein die, omdat hij Pasen niet
eerde gedoemd is voor eeuwig over de oceanen te zwerven. Dat is ook het lot van
de moderne ‘Vissenmens’, de mens van de nieuwe tijd, die een zwerver is over
de aarde, die nergens gelukkig en tevreden is en altijd weer op zoek moet naar
iets anders. Het hoort bij de moderne Faust-mens, de eeuwige zoeker naar de
waarheid en het geluk wat op aarde niet te vinden is, het romantische ‘dort wo
du nicht bist ist das Glück’ (‘der Wanderer’, ‘de zwerver’ van
Schubert). De moderne mens gaat rusteloos al zappend door het leven, hij proeft
alles en laat het weer los op zoek naar het andere, naar het ultieme dat hij op
aarde vruchteloos aan het zoeken is….
In
dit tijdperk ondergaat de mensheid een totale anglicanisering. Aangezien de
Engelssprekende volkeren de meeste affiniteit met de Bewustzijnsziel hebben
worden zij in dit tijdperk de leidinggevende volkeren op aarde. In de 19e
eeuw: Engeland, in de 20e eeuw: de USA. De Engelsen ontwikkelden als
eersten de grondwet (de magna carta, Middeleeuwen) de revolutie en de republiek
(17e eeuw-Cromwell), gevolgd door het constitutionele koningsschap,
als eersten het moderne experimentele onderzoek (Francis Bacon, 16e
eeuw), het filosofisch materialisme (Th. Hobbes, begin 17e eeuw) als
eersten de Industrialisatie (18e eeuw), ze veroverden 1/3 van de
wereld (19e eeuw), schaften als eerste de slavernij af (19e
eeuw), ontwikkelden de wereldhandel over zee (18e eeuw), maakten de
creatie van het Marxisme mogelijk (Marx in de Londense bibliotheek), gingen als
eersten de gewonden van de slagvelden verzorgen (Florence Nightingale, 1853),
voerden als eersten de terts in als moderne samenklank van de harmonie in de
muziek (Dunstable, begin 15e eeuw), werden als eersten
‘wereldburgers’, creëerden de impuls van de ‘Beatlemuziek’, gingen
voorop in de ontwikkeling van de filmindustrie etc.
We leven nu in een tijdperk waarbij zowel het materialisme als het egoïsme
naar hun hoogtepunt toegaan, de Ego- ofwel IK-cultuur. Het zelfbewustzijn van de
Bewustzijnsziele-ontwikkeling zal de mensheid op een cruciale tweesprong brengen
die ofwel in de afgrond voert, ofwel naar het ‘ethisch individualisme’ kan
voeren….
Volgens
Rudolf Steiner werken er vele ritmen en tijdperken door elkaar heen. Zo spreekt
hij bv. over het tijdperk dat in de Indiase mythologie genoemd wordt het ‘Kali-yuga’,
het duistere tijdperk. Kali is de God van de duisternis, waarschijnlijk dezelfde
als de Perzische Ahriman. Dit tijdperk duurde ca. 5000 jaar en begon rond 3000
vc. en kwam volgens Steiner ten einde in het jaar 1899.
Volgens
Steiner begonnen in die tijd de ahrimanische wezens zodanig op de mens in te
werken dat de mens hoe langer hoe meer zijn helderziende vermogens begon te
verliezen. Bij de Germanen wordt dat ook wel de ‘Godenscheme-ring’ ofwel de
‘Götterdämmerung’ genoemd. Dit apocalyptische tijdperk liep af in 1900 wat
betekent dat de mensheid vanaf dat moment weer de mogelijkheid zal krijgen met
zijn bewustzijn toegang tot de geestelijke wereld te verkrijgen. Dat gebeurt
niet meteen, maar langzamerhand, want 1899 was een dieptepunt, van waaraf de
poorten van de geestelijke wereld weer op een kiertje kwamen te staan en in de
loop van de tijd steeds verder open zullen gaan staan.
Het
begin van dit ‘lichtere’ tijdperk wordt ingeluid door het feit dat Steiner
in dat jaar met zijn openbare voordrachtenactiviteit begint en daarmee de weg
opent naar de geestelijke wereld.
Steiner
voorspelt dan dat een gedeelte van de mensen steeds meer spontane helderziende
beelden zullen krijgen en ook de ‘etherische Christus’ zullen ontmoeten.
Ook
zegt hij dat de mensheid in de 20e eeuw onbewust ‘over de
drempel’ zou gaan, wat betekent dat de mensheid onbewust de poorten van de
geestelijke wereld zal binnentreden. De eerste ontmoeting met de geestelijke
wereld is echter altijd eerst met de ‘wachter op de drempel’, de schaduw van
de mens, het boze, in de mythologie gesymboliseerd door de draak die de prins
(het IK) de toegang tot de toren, waar de jonkvrouw ligt te slapen die de prins
wil bevrijden en wakker kussen (het nog sluimerende geestelijke bewustzijn),
verspert. Nu moet de prins de confrontatie met de draak aangaan die hem wil
verslinden. Dat betekent in feite dat de mensheid eerst de confrontatie met het
kwaad aan moet gaan vooraleer hij toegang tot de geestelijke wereld kan krijgen.
Dit
kwaad heeft zich in de 20e eeuw op allerlei manieren gemanifesteerd.
Rond 1900 hadden zich, behalve in de Theosofie en de
Antroposofie, reeds allerlei spirituele impulsen in de cultuur ontplooid
(Jugendstil, Symbolisme, Impressionisme, Expressionisme, abstracte kunst,
mysteriedrama’s, etc.), wat de machten der duisternis probeerden te
doorkruisen door het laten ontstaan van de 1e wereldoorlog, zodat na
de 1e wereldoorlog een zeer materialistische (ahrimanische) tijdgeest
kon ontstaan, die van de ‘nieuwe zakelijkheid’. De 2e
wereldoorlog ontstond als logisch vervolg op deze ontwikkelingen en de tijdgeest
die na de 2e wereldoorlog ontstond was zo mogelijk nòg
materialistischer.
In
de Priesterapocalyps zegt Steiner (in 1924) zelfs dat de confrontatie met de
draak, het kwaad, het ‘beest uit de aarde’ (het Antichrist-wezen Sorat), in
het jaar 1933 zou plaatsvinden. Wij weten allen dat in dat jaar Hitler de macht
greep, en dat korte tijd later de apocalyptische 2e wereldoorlog
plaatsvond.
Ook op
vele andere manieren heeft zich deze confrontatie uitgedrukt in het onbewuste
van de mens, het drukte zich vooral uit in de moderne kunst van het
Expressionisme, de moderne muziek, etc. Hierin heeft de mensheid ahw. de
‘af-grond van de ziel’ uitgedrukt, de confrontatie met de menselijke
schaduw.
De
abstracte kunst drukt in feite al een zoektocht uit om de geestelijke wereld, de
imaginatieve wereld in beelden uit te drukken, om datgene uit te drukken wat àchter
de sluier van de stoffelijke wereld werkt. Ook in de muziek van bv. het
Impressionisme en Expressionisme vinden we dat.
In
de antroposofische kunstvormen probeert men ook al iets van de geestelijke
wereld kunstzinnig uit te drukken.
De
‘Hippietijd’ was een kort tijdperk in de 20e eeuw (de 60er-70er
jaren) die even een nieuwe opleving van spiritualiteit en idealisme liet zien
(in dezelfde tijd zien we bv. ook weer een grote groei van de
Vrije-school-beweging en ook bv. een opleving van de belangstelling voor
Jugendstil, Gaudi etc.), wat in de 80er jaren door een nieuwe golf van ‘nieuwe
zakelijkheid’ (de Yuppietijd), een nieuwe golf van materialisme dus, de nek
werd omgedraaid. Er ontstond vanuit de Hippiebeweging echter wel een nieuwe golf
van vooral sterk Oosters georiënteerde spiritualiteit in de vorm van de ‘New
Age Beweging’, wat gedeeltelijk echter van een dubieus gehalte is. Deze
beweging is gedeeltelijk gebaseerd op meer Oosters-Theosofische en
antichristelijke vormen van spiritualiteit. Ook treffen we hier vreemde mengsels
van materialistisch-wetenschappelijke theorieën met een Oosters sausje
gelardeerd aan, zoals de dubieuze theorieën van H. Roerich en Alice Bailey,
waar de theorie als zou het ‘Watermantijdperk’ binnenkort al beginnen op
gebaseerd zijn. Men leze daartoe de 3-delige boekenserie van S. Prokofief:
‘Das Osten im Lichte des Westens’.
Op
alle fronten vinden we in deze en de toekomstige tijd dus een worsteling met het
boze en de zoektocht naar het geestelijke bewustzijn, dat in deze tijd van het
individualisme echter steeds meer een individuele zaak is.
____________________________________________
De toekomst
Volgens Steiner zal het Bewustzijnszieletijdperk nog
ca. 1500 jaar duren, in welke tijd het individualisme en het materialisme zoals
we dat in de Westerse wereld als noodzakelijke fase in de ontwikkeling vinden,
zich over de gehele wereld zal verspreiden. Een gedeelte van de mensheid zal
echter ook al bezig zijn om het toekomstige Waterman-Geestzelf-tijdperk voor te
bereiden, zoals het Bewustzijnszieletijdperk ook al vele eeuwen voor haar begin
werd voorbereid.
In
het 6e Na-atlantische cultuurtijdperk zullen dan de
Russisch-slavische volkeren de toonaangevende volkeren zijn, zoals de nu
Engelsen en de West-Europeanen (en hun afstammelingen in Amerika, Australië
etc.) dat in deze tijd zijn.
Onze
tijd kenmerkt zich door het individualisme, door intellectualisme, materialisme
en een zekere gevoelsmatige armoede.
Bij
de Russen in het toekomstige Watermantijdperk zal daarentegen een cultuur van
‘broederliefde’ gaan ontstaan. De Waterman staat voor de idealen vrijheid,
gelijkheid en broederschap. Het hangt samen met het ware Christelijke communisme
dat dan zal ontstaan en waarvan het Bosjewistische communisme een
afschrikwekkende, boosaardige en materialistische karikatuur was.
-Niettemin leeft er in het Russische volk een talent
voor het broederschappelijke, wat zich in de Middeleeuwen al uitte in de
dorpssamenleving van de ‘Mir’. Ook vinden we bij de Middeleeuwse Russen al
een diepreligieuze, diepchristelijke vroomheid en opofferendheid die zich in het
Watermantijdperk, als men al iets van het Geestzelf zal ontwikkelen, zal uiten
als een nieuwe groepscultuur: die van de opofferende, medelevende, medelijdende
broederschap, vriendschap en naastenliefde. Het zal weer veel meer een groeps-
en gevoelscultuur zijn, maar nu vanuit de vrijheid van het individuele IK, als
al een gedeeltelijke realisatie van het Christendom van vrijheid en liefde. Ook
zal de mensheid dan al gedeeltelijk weer zijn helderziende vermogens
ontwikkelen.
Het
7e tijdperk, dat zijn centrum aan de Westkust van Amerika zal hebben
zal onder invloed van de Steenbok een grimmiger karakter krijgen. Steiner
voorspelt dat er op een gegeven moment een splitsing van de mensheid zal gaan
optreden van mensen die de weg zullen vinden naar Christus en de weg gaan naar
een spirituele transformatie, èn de mensheid die zal ontsporen in de afgrond
van het materialisme en egoïsme, en ook weer zal ‘verdierlijken’…
Hij
beschrijft dan dat dit egoïsme zó zal verharden dat er tenslotte een oorlog
zal ontstaan van ‘allen tegen allen’. We kunnen hier ook aan de verderfelijke
en vernietigende, nihilistische invloed van de Asura’s denken…
Lemurië
ging ten onder aan vuur- en vulkaanrampen, Atlantis aan overstromingen. Voor het
Na-atlantische tijdperk voorspelt Steiner geen nieuwe natuurcatastrofes maar een
sociale catastrofe die de oorzaak zal zijn van het einde van dit grote tijdperk.
De verdorvenheid van de mens zelf zal de ondergang van het 5e
wortelras bewerkstelligen. Terwijl de ontaarde mensheid elkaar in een totale
oorlog van allen tegen allen aan het uitroeien is, zullen de meer
vergeestelijkte mensen zich terugtrekken en wachten tot deze storm voorbij is om
daarna weer een nieuw (maar geheel andersuitziend) mensengeslacht te creëren.
Een
ander dramatisch gebeuren zal in dit 7e tijdperk ook een
apocalyptisch ka-rakter hebben: Rond het jaar 6100 zal de Maan zich weer met de
aarde verenigen. Daardoor zullen er ook nogal griezelige dingen plaats gaan
vinden.
Rudolf Steiner heeft 2 voordrachtencycli gehouden
over de openbaringen van Johannes. Veel van de Antroposofische visie op de
geschiedenis en op de toekomst is afgeleid van de beeldentaal van de Apocalypse.
Volgens
Steiner duiden veel van de gehanteerde symbolen uit de openbaringen op het
karakter van tijdperken die nog komen of al geweest zijn.
Het
6e wortelras, dat zal volgen op het tijdperk na ‘de strijd van
allen tegen allen’ duidt hij aan als het ‘zegeltijdperk’. Gebeurtenissen
die daar zullen plaatsgrijpen hangen samen met de beeldentaal die Johannes
uitdrukt in verband met de zeven zegels. Het 7e en laatste
worteltijdperk van het grote aarde-evolutie-tijdperk dat nog enigszins
stoffelijk-materieel zichtbaar zal zijn duidt hij aan als het ‘Bazuinen-tijdperk’,
(de 7 bazuinen, en ook ‘de schalen van toorn’).
Überhaupt
de gegevenheid om de evolutie in zevenvoudige tijdperken in te de-len is
wellicht afkomstig van de Openbaringen, waar alles in zevenen is ingedeeld: 7
brieven, 7 schalen van toorn, 7 bazuinen, 7 zegels, etc.
Ook
Johannes was een ingewijde die in de geestelijke wereld kon schouwen en de
toekomst in beeldentaal heeft uitgedrukt. Steiner was wellicht de enige die de
betekenis van deze beelden als ingewijde kon duiden. Bovendien zijn deze beelden
ook meerduidig, meerdimensionaal & drukken verschillende dingen uit.
In
het 6e wortelras, het tijdperk van de 7 zegelperioden zullen de
omstandigheden (na 7897) weer geheel anders worden. De aarde en de lichamen van
planten, dieren en mensen zullen geheel veranderen en weer een ijlere substantie
gaan vormen. Vanaf ongeveer het 4e zegeltijdperk zal de aarde in een
zodanige toestand veranderen dat de aardse tijdrekening niet meer mogelijk zal
worden, dit tijdperk spiegelt zich in het 4e Atlantische tijdperk,
dat het begin vormde van het grote duistere tijdperk waarin de aarde in haar
huidige versteende toestand was. Hierna
zal de aarde en haar bewoners verijlen tot het vloeibare, daarna het
luchtvormige en tenslotte weer tot warmte. Tijdens de 4e
‘Bazuinenperiode’ zal de aarde zich met de zon verenigen.
Ook
in de gewone natuurwetenschap gaat men ervan uit dat voordat de zon zal uitdoven
hij eerst steeds groter zal worden en alle planeten een voor een zal opslokken.
Dit zal inderdaad gebeuren, maar op een minder materiële wijze als in de
natuurwetenschap wordt voorgesteld, want alles wat er in de wereld en de kosmos
gebeurt wordt gestuurd en bewerkstelligd door de geestelijke wezens die de
hemellichamen bewonen. De mens zal in die toekomstige tijd zelf ook weer een
lichtlichaam hebben, het zal dus geen vernietiging van de aarde en het
zonnestelsel betekenen maar een transformatie naar een andere bestaansvorm.
Hierna
zal weer een ‘pralaya’ volgen, een grote kosmische ‘wereld-slaap’
waarbij alles weer in geestelijke vorm zal verkeren.
De
toekomstige Jupiter-evolutie, waarbij de mens het Engel-bewustzijn van het
Geestzelf zal realiseren wordt in de openbaringen aangeduid als ‘Het nieuwe
Jeruzalem’. Alles zal hier totaal anders zijn als tijdens de aarde-evolutie.
De
geestelijke evolutie zal in deze andere zijnstoestanden ook gewoon voortgaan, en
er zullen dan meerdere klassen van mensen zijn: Zij die zich met het hogere, met
het Christus-principe hebben verbonden, en een klasse van mensen die ahw.
‘zijn blijven zitten’, die zich niet verbonden hebben met het hogere, die
vasthouden aan egoïsme en materialisme, die zich verbinden met de
tegenstrevende machten. De verder gevorderde mensen zullen proberen de lager
ontwikkelde mensen mee te nemen en te helpen, maar bij niet iedereen zal dat
lukken zodat er zich meerdere klassen of niveau’s van mensen zullen vormen.
In
de 6e evolutiedag, de kosmische Vrijdag, de Venus-evolutie zal een
gedeelte van de mensheid het aartsengelbewustzijn bereiken van de levensgeest (Boeddhi).
De
tegenstrevende machten hebben ondertussen ‘een soort eigen planeet’ gecreëerd,
die Steiner ‘de onverbeterlijke Maan’ noemt, waarin zij alles van de mens
zullen verzamelen wat ze te pakken kunnen krijgen, en ook de zielen van een
gedeelte van de mensheid die nog niet de weg naar het Christelijke zal hebben
gevonden. Deze ‘onverbeterlijke maan’ zal zich dan op een gegeven moment van
de ‘normale’ evolutie’ losmaken en een geheel eigen weg gaan. Dit zal
gebeuren tijdens de 6e evolutiefase, en daarvan het 6e van
het 6e tijdperk. Dit hangt dus samen met het geheimzinnige getal 666
uit de Openbaringen, het getal van de Antichrist (het beest). Dat zal de laatste
kans zijn voor deze toekomstige ‘mensen’ om zich nog met de lichtmachten te
verbinden, daarna zullen deze ongelouterde mensenzielen die zich nog niet met
Christus verbonden hebben gevangen zijn in deze ‘onverbeterlijke Maan’, door
Steiner ook wel eens aangeduid als de ‘achtste sfeer’, aangezien het als een
8e planeet naast de normale 7 planetaire evolutiefasen/planeten zal
ontstaan. In de Openbaringen wordt dit moment aangeduid als ‘Het laatste
oordeel’, de ‘Dies irae’, ‘de dag des oordeels’ ofwel ‘het laatste
gericht’… Wellicht zal dat de toestand zijn die men in de Christelijke
religie dan aanduidt als ‘de hel’. We kunnen ons voorstellen dat deze
‘onverbeterlijke maan’ van de ‘normale evolutie’ wordt uitgescheiden als
een soort slak, een afvalproduct.
We
kunnen dit moment, het 666-moment uit de Venus-evolutiefase, vergelijken met de
septiem in de toonladder, het moment waarop de toonladder in de leidtoon bijna
het octaaf bereikt heeft, een bijzonder spannend en dramatisch moment… Ook in
veel literatuur en films vinden we dat het moment vlak voor de overwinning het
meest spannende en dramatische en beslissende moment is.
Daarna zal de ‘gewone evolutie’ voortschrijden naar haar
‘octaaf’, de ultieme overwinning van de kosmische toonladder, de weg van
grondtoon naar octaaf als het doel van de gehele mensheids-evolutie. Het octaaf
van Saturnus zal bereikt worden in de Vulcanus-evolutie, waarbij de mensheid het
getransformeerde stoffelijke lichaam, het Atman ofwel de geestmens zal
ontwikkelen, het doel van de gehele wereldevolutie, het ‘Archaibewustzijn’,
vergelijkbaar met de opstanding van Christus, ofwel de ‘Godszaligheid’…
____________________________________________________________
We hebben al eerder aangeduid welke tonen en
intervallen uit de toonladder met welke evolutiefasen vergelijkbaar zijn.
Hieronder een korte bespreking ervan:
In
de muziek, in de toonladder staat de grondtoon, de priem voor het stoffelijk
lichaam. Hieraan ervaren we stevigheid en steun. (de Tonicafunctie) We ervaren
dit vooral in de toonsoort C, de C is de oergrondtoon van de aarde-evolutie (zie
de voorbeelden hieronder). De C is de Marstoon, de toon samenhangend met de 1e
helft van de aarde-evolutie, toen de aarde verharde en versteende tot ijzeren
steenklomp. Toen pas kregen we ‘vaste grond onder de voeten’.
Bv. : Het slot van: De 5e symfonie van
Beethoven, de 9e symfonie van Schubert, de symphony fantastique van
Berlioz, het slot van het Te Deum van Bruckner. Het verschijnen van ‘de
reuzen’ uit ‘Rheingold’ van Wagner, ‘Mars’ uit ‘The Planets’ van
Holst, het begin van de 1e symfonie van Brahms etc.
Maar
het is de G die als de Saturnus-toon geldt, en deze kunnen we dan eventueel
verbinden met de oerwarmte en het oerbegin uit het oude Saturnus.
Kenmerkend aan G als toonsoort is, dat het zich goed
leent voor kinderliedjes, volksliedjes, vrolijke lenteliedjes, volksmuziek,
folkloremuziek etc.
bv. Orff, Carmina Burana: ‘Cramer gib die varwe mir’
& ‘Floret silva’; Smetana, uit de Moldau: de boerenbruiloft en het koor
van de landlieden uit ‘de verkochte bruid’; Dvorack: 8e symfonie;
Mozart: ‘Eine kleine Nachtmusik’, de aria’s van Papageno uit ‘Die
Zauberflöte’; Mahler: 4e symfonie;
Dit
drukt uit dat in G de verbinding met de oerwereld doorklinkt, met de muziek van
de allerprimitiefste oervolkeren en het allerkleinste kind. Een klein kind
begint ahw. te zingen vanuit de G, de Dominant van de toonladder: Het zingt bv.
G-E op ‘mama’. Dan volgt G-A-G-E, tenslotte vormt zich de pentatonische
toonladder: C-D-E-G-A. Dit is in feite een samengeperste kwintenstapeling. De
allerprimitiefste volkeren zingen pentatonisch, de negers uit Afrika, de
Chinezen, in feite de Indianen, we vinden het überhaupt bij veel
folkloremuziek, bv. ook Ierse folkloremuziek is pentatonisch.
Hier leeft men in het ‘kwintenbewustzijn’.
Niet
de grondtoon, maar de Dominant is de ‘oertoon’, de ‘roeptoon’. Lang
zingen op of rond een toon (priem) bewerkstelligt het effect dat men deze toon
als dominanttoon, als kwint van de toonladder zal ervaren…
(bv. het psalmodiëren in het Gregoriaans)
Veel muziekstukken beginnen met een lange liggende
toon, bv. Bruckner-symfoniën (vooral de 9e!), maar ook veel moderne
muziek (zie hieronder). In de 9e symfonie van Beethoven vinden we
reeds een van de eerste voorbeelden van deze tendens.
Het
laten beginnen van een werk met lange liggende tonen verwijst ahw. in het klein
terug naar het oerbegin van de wereld: Het oude Saturnus. Ieder muziekstuk
begint dan zoals de wereldschepping begon….
bv. : Wagner: Het begin van Rheingold; Ravel: Het
begin van ‘Daphnis et Chloé’; Mahler: Het begin van de 1e
symfonie; Maki Ishi: Het begin van Kaguyahime; Ook Popnummers, bv. het begin van
veel nummers van ‘Enigma’;
Ook
meditatieve, religieuze muziek (Tibetaans Om-gezang, de didjeriedoe),
minimal-music, New Age-muziek etc. kenmerkt zich door lange liggende priemen,
wat ahw. een ‘Oer-Saturnaal’ karakter vertoont….
bv. Ars Antiqua-muziek, 2stemmige organums van
Leoninus (met lange liggende tonen); Electronische muziek van Ton Bruynel,
Ligeti: ‘Lux aeterna’ & ‘Lontano’; de werken van Scelsi, etc.
Stukken waarbij in G iets van deze serene en
verstilde Saturnusstemming kan worden ervaren zijn bv.: Ives: ‘The unanswered
question’. De serene en verstilde, verheven strijkerspartij staat in G groot
en beeldt de kosmos uit die eeuwig voortschrijdt, de wereld,
het eeuwige voortschrijden van de tijd, Vadertje tijd, Chronos-Saturnus
die onverstoorbaar eeuwig voortschrijdt; Vaughan Williams: De zeer serene en
verheven inleiding van de 2e symfonie, veel ruimtelijke
kwintenakkoorden, en het slot van deze symfonie met het zeer lange en in de
verte uitstervende G groot-slot-akkoord;
-Het begin en eind van het eerste deel van de 3e
symfonie, ‘the pastoral’ (+slot).
____________________________________________
De A is de Zonnetoon en de grote secunde G-A verwijst
ahw. terug naar de oude Zonne-evolutie-fase.
De
grote secunde drukt het levenslichaam uit, en hangt ook met water samen, het
beweeglijke en het vloeibare, wat we vooral aan de secundebeweging ervaren. De
secunde C-D hoort bij de aarde-evolutie. In D groot ervaren we een enorme
levenskracht en ook waterachtige secundematige beweeglijkheid is kenmerkend voor
D groot, want de D is de Mercuriustoon, en als zodanig hangt de D samen met het
beweeglijke en vloeibare (kwikzilver is immers vloeibaar).
Voorbeelden van ‘mercuriaal D groot’: Mozart:
Ouverture ‘le Nozze di Figaro’, finale 31e / Parijse symfonie;
Beethoven: Finale 2e symfonie; Mahler: slot 1e deel 1e
symfonie en finale 5e symfonie; Prokofief: Klassieke symfonie;
De secunde G-A hangt samen met de oude
Zonne-evolutie. De A is de Zonnetoon. Muziek in A is altijd stralend, lichtend
en drukt het grote-sext-beleven (C-A) van vreugdevolle euforie en enthousiasme
uit...
Voorbeelden van ‘zonnig A groot’: Beethoven, 1e
deel 7e symfonie; Mendelssohn: 1e deel Italiaanse
symfonie; Rimsky Korsakow: 1e deel en eind ‘Capriccio Espagnol’;
Enescu: Roemeense Rhapsodie; Debussy: ‘l’Isle Joyeuse’; Bruckner: begin en
slot 1e deel 6e symfonie, slot finale; Ravel: Slot
‘Daphnis et Chloé’; Bizet: Carmen-ouverture; Dvorack: Carnaval-ouverture;
Tsjaikowsky: Capriccio Italien; Borodin: Slot vd. Polowetzer dansen;
De
A is een grote sext vanaf de aardetoon C, waar we immers (in deze tijd, de
aarde-evolutie) alle intervallen aan refereren.
De
grote secunde G-A drukt uit dat de kosmische oermens in die tijd een
etherlichaam kreeg.
Het stralende van de grote sext kunnen we verbinden
met het lichtstralende van de Zon, ook de oude Zon straalde licht uit.
Lichtstralend A groot: Wagner: Lohengreen-ouverture;
Chopin: Prelude in A groot; Grieg: Vlinder ;(associatie met de lichtwereld van
bloemen en vlinders)
_________________________________________________________________
In de terts G-B ervaren we het astraallichaam, want
met de terts drukt men gevoel uit, majeur en mineur (bv. Himmelhoch jauchzend -
zum Tode betrübt).
De
B is de Maantoon en tijdens de oude Maan-evolutie ontving de kosmische oermens
een astraallichaam met gevoelens en emoties, sym- en antipathie.
Vanuit
de C vormt de B een septiem die in de muziek vaak de ‘extase’ uitdrukt, de
ontrukking. Ook in het astrale dierbewustzijn is er sprake van ‘ontrukking’:
De ‘Maangekte’ van de ‘lunatic’, de Maniak, manie etc.
De B drukt ook de begeerte uit van de leidtoon (B)
die wil oplossen in de tonica (C), wat samenhangt met de luciferische begeerte
die in die tijd de mens in zijn astraallichaam ontwikkelde onder invloed van de
luciferische demonen. Muziek in B (B klein) kan ook heel demonisch zijn,
duivels, nachtelijk en dreigend….
Nachtelijk, mysterieus en demonisch B klein: Schubert,
begin 8e symfonie; ‘Der Doppelgänger’; Wagner: Voorspel 2e
akte Parsifal – Klingsorscène; Walküren-rit; Tsjaikowsky: scène en finale
uit het Zwanenmeer; Manfredsymfonie (finale); 1e deel 6e
symfonie; Grieg: peer Gynth, in de hal van de bergkoning; Händel, ‘Messiah’:
‘The people that walketh in darkness’;
Tijdens
de oude Maan-evolutie verdichtte de planeet zich tot het vloeibare. In een
aantal stukken in B (met name in het Impressionisme) vinden we verwijzingen naar
de zee, wolken, nevels, het vloeibare. Soms ook naar het element van de
‘verleiding’, door sirenen of mooie fatale vrouwen, wat naar de luciferische
invloed verwijst, en ook ervaren we in B vaak het ‘bleke maanlicht’.
Het ‘vloeibare’ in B, zee, wolken, nevels en
verleidelijke water-lucht-wezens: Mendelssohn: ‘Hebriden-ouverture’; Debussy,
‘Trois nocturnes’: ‘Nuages’ (wolken), ‘Sirènes’ (fatale en
verleidelijke lucht- & zeewezens); Tsjaikowsky: Manfredsymfonie, 2e
deel (uitbeelding van de Alpenfee in de regenboog van een waterval), Het
Zwanenmeer, scène;
De bleke Maneschijn: Debussy: Jeux, begin en eind;
Moussorgsky / Ravel, Schilderijententoonstelling: ‘Met de doden in een dode
taal’;
-Tijdens de Maan-evolutie verkreeg de mensheid een
astraal ‘droombewustzijn’. Veel muziek in B vertoont ook een mijmerend,
dromerig karakter, dat kan zowel een demonisch ‘nachtmerrie-karakter’ zijn
zoals hierboven (bij ‘demonisch’) als een meer vredig, mijmerend karakter
(dat geldt ook voor de ‘zeestukken’…):
Chopin: Prelude in B klein; Grieg: Einsamer Wanderer;
Rimsky Korsakow: Prelude voor ‘de onzichtbare stad van Kitesj’ (jonkvrouw
Fevronia in het bos);
Sibelius: Tapiola; Respighi: De 3e delen
uit de ‘Feste’ en de ‘Pini’ ‘di Roma’;
Een
Maantype is ook een dromer, en veel stukken in B zijn ook droomachtig,
romantisch en mijmerend…
__________________________________________________________
In de 1e helft van de aarde-evolutie
begint het ontwaken van het IK-bewustzijn van de mens, wat in de muziek zijn
equivalent heeft in de kwart. Dankzij het IK kan de mens denken en ontwaken,
bewustworden.
In de priem van het oude Saturnus wordt alleen een fysieke basis
geschapen.
In de secunde van de oude Zonne-evolutie kunnen we
ahw. de toestand van de slaap ervaren.
In
de terts van de oude Maan-evolutie kunnen we een droombewustzijn ervaren, het
halfbewuste bewustzijn (een Maantype is ook een dromer, en veel stukken in B
zijn dan ook droomachtig, romantisch en mijmerend... zie boven, de B-stukken)
Van
de terts naar de kwart, van G-B naar G-C ervaren we een proces van ontwaken,
wakker worden, we worden ons bewust van onszelf: Ik ontwaak. We ervaren dat aan
veel stukken in C waarbij de kwart G-C heel vaak voorkomt, als een
trompetsignaal die ons wakker doet schudden: Ontwaak!
De
leidtoon B lost op in de C, en de dissonante kleine secunde geeft ook een soort
gevoel van pijn die ons doet ontwaken !
De
C is ook de aardetoon, in de Marshelft van de aarde-evolutie stolt ook de aarde
zodanig dat de mens met 2 benen, rechtop op aarde kan staan en met het hoofd
hoog zodat het ontwaken in het denkende hoofd als aardeburger mogelijk wordt.
Veel stukken in C kenmerken zich door het stampen op de grondtoon, en door een
zekere nuchterheid en zakelijkheid, een gevoel van ‘sound common sence’,
vastberadenheid, solide, natuurlijkheid, standvastigheid, wilskracht etc.
Muziek in C, stevig, sterk, ‘sound common sence’,
wakker, zakelijk, nuchter, wilskrachtig, met stijgende kwarten van G naar C,
stampend op de C etc.:
Händel: veel koren uit: Israel in Egypt (slot!);
Schubert: Wanderer-fantasie, begin; Bruckner: Te Deum, begin en eind; Liszt: Les
Preludes (slot), Tasso (slot); Wagner: Ouverture ‘Meistersinger’, slot 1e
akte Tristan und Isolde; R. Strauss: Also sprach Zarathustra, begin, slot
‘Elektra’; Rimsky Korsakow: Ouverture ‘het Meisje van Pskow’; ‘Mars’
uit ‘the Planets’ van Holst; (zie ook boven, bij Saturnus: Berlioz, slot
symph. fant.; de reuzen uit Rheingold-Wagner)
De symfonieën in C, de gedeelten in C van: Schubert
(9e); Beethoven (1e en 5e-finale); Brahms (1e,
finale, slot en finale-thema); Saint Seans (3e, finale), Bruckner (1e
en 2e symfonie vooral, met name de finales-slot, ook slot 8e
s.), Prokofief (4e), Bizet, (Wagner, Grieg) Dvorack (1e s.)
etc.
________________________________________________________
De 2e helft van de aarde-evolutie, na
Christus, is de Mercurius-evolutie-fase. In de intervallen vanaf de G gaan we nu
naar het kwintinterval (G-D), een intervalomkering van de kwart, wat men zou
kunnen verbinden met een soort hogere vorm van denken en ontwaken, waarbij een
groot gevoel van wijdsheid en ruimtelijkheid optreedt. We kunnen de kwint met
‘wijsheid’ verbinden, met een bevrijding uit de benauwende gevangenschap van
het denkende ego in het lichaam, waarbij het denken zich naar buiten richt en
tot een ‘breder perspectief’ komt, een wijdere blik op de wereld, kortom tot
wijsheid. (het ‘hogere IK’ verbeeldend…)
De
echte bovenbeschreven kwintbeleving kunnen we echter het beste in muziek in G
ervaren aangezien we toch in de eerste plaats de tonen aan de aardetoon C
refereren.
We vinden deze kwintbeleving in G het duidelijkst bij
de volgende werken:
Debussy: ‘La Chathédrale engloutie’, het begin;
Sjostakowitsj: 11e symfonie (het jaar 1905) in G klein, het begin;
Orff, Carmina Burana: ‘Cramer gib die varwe mir’; Vaughan Williams: Begin 2e
symfonie; Begin 3e symfonie (parallelle 3-klanken, de melodie in de
bas begint met een kwint: G-D);
Ook
in D klein (en D groot) vinden we vaak het benadrukken van de kwint D-A en de
‘kwintenstemming’. In D klein drukt dit echter ook vaak meedogenloze
hardheid en kilheid uit, zie later…
De
toonsoort D groot is ook een typische Christus- en Michaelstoonsoort: Alle
Barok-jubelkoorstukken die de overwinning van Christus als ‘verlosser’
be-zingen staan in D groot: Halleluiahs, Gloria’s, Sanctussen, Hosanna’s, Et
Resurexits, Magnificats etc. Alle jubelstukken die Christus en zijn opstanding
en overwinning bezingen staan in D groot (Bach!).
Voorbeelden: J.S.Bach: Weihnachtsoratorium, 1e
deel: ‘Jauchzet, frohlocket’; Magnificat; Hohe Messe: Gloria, Et Resurexit;
Hosanna; Händel: Messiah, Halleluyah en de 2 laatste delen; Beethoven, Missa
Solemnis: Gloria; het slotkoor van de 9e symfonie; Britten,
‘Warrequiem’- ‘Hosanna’; Mendelssohn, ‘Paulus’: ‘Mache dich auf,
werde Licht’ (het Damaskusbeleven van Paulus: de ontmoeting met de etherische
Christus); Walton: Coronation-Te Deum;
De
C-D-secunde staat voor de etherische wereld. Christus neemt zijn intrek in de
etherische wereld om deze met genezende en vitaliserende Zonnekrachten te
verrijken en aldus te voorkomen dat de te sterke doodskrachten die van de
verstenende Marsinvloed van de 1e helft van de aarde-evolutie
uitgingen en dreigden de aarde in een doodsproces te voeren, die tenslotte tot
de dood van de aarde zouden hebben kunnen voeren. Dit wordt ahw. bezongen in
alle Gloria’s en Hosanna’s etc. uit de Missen ed. vanaf de Barok. De
beweeglijkheid van D groot wijst ahw. vooruit naar de toekomst, als de aarde
weer ‘oplost’ en vergeestelijkt, beweeglijk wordt, zoals kwikzilver, het
Mercuriusmetaal. Mercurius is de genezer, de dokter, de heeland, de heiland, zie
het eerdere hoofdstuk hierover.
Christus is de ‘werelddokter’, de
‘wereldheler’. D groot is dus ook een typische zonnige en ook heroïsche
Christus-toonsoort.
D groot als natuurtoonsoort (de etherische wereld der
levenskrachten, pastorale toonsoort): Brahms, 2e symfonie, begin;
Sibelius, 2e symfonie, begin; Vaughan Williams: 5e
symfonie (met lange liggende secunde C-D!), begin en slot 1e deel;
D groot als natuurtoonsoort en/of als toonsoort in
samenhang met Pasen, de opstanding van de natuur in de lente: Wagner, Parsifal,
3e akte, het einde van de ‘Karfreitag’-muziek (de goede
Vrijdagsmuziek, over de lente in de natuur en de ‘Verlosser’); Rimsky
Korsakow: Groot Russisch Paasfeest (slot);
In de na-christelijke tijd ontstond in de Gregoriaanse muziek een stelsel van kerktoonladders waarbij D dorisch de centrale toonsoort werd. D dorisch, waar later het D klein van werd afgeleid is dus de centrale toonsoort voor de kerkmuziek, die Christus als ‘de verlosser’ en heiland centraal stelt. Het werd bij uitstek de toonsoort voor de kerkmuziek. D groot voor de jubelende kerkmuziek, (waarschijnlijk vanaf de Barok, ivm. de hoge D-trompet) D klein, en daarvoor dus D dorisch, voor de meer serieuze kerkmuziek, zoals Requiems ed. D klein werd dan met name de toonsoort van ‘het lijden’ en ‘sterven’, kortom: de Kruisigng van Christus met Pasen, en de toonsoort voor de boetedoening, de lijdens- en de vastentijd, de ‘zelfkastijding’ van de door de dood en de kruisiging gefascineerde katholieken.
Opmerkelijk in dit verband is het feit dat de zeer vrome Bruckner zijn 8e symfonie in C aan de keizer wijdde, de C staat voor het aardse, een aardse heerser dus (Mars), en zijn 9e symfonie in D klein wijdde hij ‘an den lieben Gott’, aan Christus dus zouden we kunnen zeggen. Überhaupt had Bruckner veel affiniteit met D klein, zijn nulde, 3e en 9e symfonie staan in D klein, en in deze toonsoort drukte hij altijd religieuze stemmingen uit, vooral in het overweldigende, kathedraalachtige 1e deel van zijn 9e symfonie (1e thema en slot). In zijn 3e symfonie in D klein vinden we de doorbraak naar de èchte Brucknerstijl, met de sterk religieus aandoende grootse en verheven stemmingen. Hier kunnen we ons voorstellen dat hij ‘het lijden’ van Christus aan ‘de zonden’ der mensen uitdrukte… (de kruisiging)
D klein als toonsoort van kerkmuziek of muziek die te
maken heeft met religie, Missen, requiems, boetedoening, lijden, sterven,
vasten, devotie, dood, de krui-siging, ook in ‘pure muziek’ etc.:
Bach, Mattheuspassion, kruisdragingsaria, ‘Komm süsses
Kreuz’ inclusief het eraan voorafgaande arioso; Orgel-Toccata in D klein; De
Requiems van Mozart, Fauré, Bruckner, Reger, en gedeelten uit de Requiems van
Verdi, Brahms, ea. ; Beethoven: 9e symfonie, 1e deel;
Bruckner: 1e Mis, 3e en 9e symfonie; Te Deum,
het gedeelte: Internae fac (!); Liszt: Dantesymfonie; Totentanz (Variaties op
het dorische Dies Irae-thema); Wagner: Walküre, slot 2e akte (de
toorn van Wodan); Respighi: Feste Romane (1e deel, begin: De
Christenen die voor de leeuwen worden geworpen; deel 2, de Pelgrims op weg naar
Rome – Il Giubileo); Kerkramen, 2e deel: De heilige Michael; Rimsky
Korsakow: Groot Russisch Paasfeest (begin); Britten: Sinfonia da Requiem (begin:
Lacrimosa); Warrequiem, Dies irae; (Brahms: Tragische Ouverture)
Ook vinden we in D klein vaak onverbiddelijk aandoende kwintklanken, die hardheid, meedogenloosheid uitdrukken (Mozart: slot Requiem; Wagner: begin ‘Vliegende-Hollander-Ouverture’; Liszt: slot 1e deel, ‘Dantesymfonie’, het ‘Inferno’; Bruckner: Slot, 1e deel, 9e symfonie). Men zou dan kunnen denken dat D klein staat voor de toonsoort die het begin van het na-christelijke tijdperk uitdrukt, als de wereld die nog steeds zucht onder de verstenende invloed van het marciale materialisme, de strijd met de ahrimanische tegenstrevende machten, de machten der duisternis, bij uitstek de toonsoort van de kruisiging van Christus, die gekruisigd werd door het materialisme van de mens. Men zou ook kunnen zeggen: De apocalyptische toonsoort, want de strijd die na het mysterie van Golgotha en de eerstkomende milennia uitgevochten zal worden tussen licht en duisternis is beslissend voor het verdere verloop van de mensheids-ontwikke-ling… (dit (de ‘apocalytische visioenen’) is met name beleefbaar aan het slot van het 1e deel van Bruckners 9e symfonie!) (ook wel in: Bruckner, Te Deum, het D-klein-gedeelte: Internae fac; Mozart: Dies irae-Requiem en andere Dies irae’s)
D groot zou men dan kunnen zien als de toonsoort van de overwinning van Christus en Michael op de machten der duisternis.
In die zin zijn dan ook veel D-klein-symfonieën (die in D groot eindigen) dan ook min of meer te interpreteren, met name de 9e van Beethoven, de 3e en 9e van Bruckner, de 3e van Mahler.
Hetzelfde geldt voor ‘Het Groot Russische Paasfeest’ van Rimsky Korsakow, ‘Carmina Burana’ van Orff, ‘de Vliegende Hollander’(ouv.) van Wagner, etc.
(de gang van onverbiddelijk D klein naar overwinnings-D-groot)
___________________________________________________________________________
De sext is de omkering van de terts. Het gevoel van
de terts wordt naar buiten gekeerd. De sext kan men verbinden met het Manas, het
drukt vaak liefde uit. Het stralende van de sext kan men verbinden met het
effect van iemand die zijn Geestzelf ontwikkeld heeft en die vanuit zijn hart
liefde uitstraalt, broederliefde, het gevoel van het astraallichaam wat we in de
terts ervoeren en wat nu verwijd is tot een naar buiten schenkende liefdekracht,
wat mogelijk wordt door de vergeestelijking van het astraallichaam.
In
de Jupiter-evolutie zal de mensheid zijn Manas ontwikkelen. De E is de
Jupitertoon, en dat is een sext vanaf de oersaturnustoon G. De toonsoort E (en
Es) is ook een zeer verheven, majestueuze toonsoort, die vaak de opstanding van
Christus verbeeldt, het hemelse, de overwinning van het hogere op het lagere,
het religieuse, de hemel, ook het licht, het gouden zonnelicht. Met name E groot
is een typische verheven en lichtstralende Christus-toonsoort.
Voorbeelden: E groot: Händel, ‘the Messiah’,
aria: ‘I know that my redeemer liveth’; Mozart, Zauberflöte, aria: ‘In
diesen heiligen Hallen kennt mann die Rache nicht’; Bruckner, 3e
Mis, Credo: Et ressurexit; 7e symfonie, slot 1e en 4e
deel; 9e symfonie, Adagio, E-dur-hoogtepunt van het 1e
thema (dit komt over als de overweldigende stralende en lichtende ontmoeting met
de etherische Chris-tus…) & het slot (als de eeuwige hemelse vrede…);
Debussy: ‘Le martyre de st. Sebastien’, slotkoor (Sebastiaan in de hemel,
ontvangen door de engelen); Wagner: Tannhaüser, Pelgrimskoor en slot; Verdi: Te
Deum, slot; Szymanows-ky: Veni creator, slot; Messiaen: ‘le Tranfiguration de
notre seigneur Jesu Christe’, het slotkoor; Penderecky: ‘Lucas-passie’,
slot;
Es
groot: Mozart: Zauberflöte, de priesterkoren, de aria’s van Tamino en het
slotkoor; Berlioz: Requiem, ‘Tuba mirum’ (deel met de 5 kopergroepen!);
Tsjaikowsky: Ouverture 1812 (begin en eind: Russisch-Byzantijns kerkgezang);
Bruckner: 4e symfonie (vooral de finale, met name het slot!) Moussorgsky, Schilderijententoonstelling, ‘de grote poort
van Kiew’; Mahler: slotkoren van de 2e en 8e symfonie; 1e
deel 8e symfonie; Nielsen: slot 5e symfonie; Holst, ‘the
Planets’, ‘Jupiter’, het koraalachtige middendeel; Elgar, ‘Enigma-variaties’,
het deel ‘Nimrod’; Puccini, het slot van de 1e acte van
‘Tosca’ (het Te Deum in de kerk); Respighi: Kerkramen, 4e deel
‘st. Gregorius de Grote’; Duruflé, ‘Requiem’, het ‘Hosanna’;
Vanaf
de C vormt de E echter een terts, en we horen veel vaak in E en Es
tertsenthema’s (bv. 3e Beethoven: Es-G-Es-Bes-Es-G-Bes-Bes) en ook
vaak secundegewijs omhoogschrijdende koraalthema’s: C-D-E, is in E: E-Fis-Gis
bv., in Es : Es-F-G; Deze motieven vinden we oa. in de volgende hoofdthema’s:
Moussorgsky: Grote poort van Kiew;
slot-Martyre-Debussy; Tsjaikowsky: Ouverture 1812; slot 5e s. Nielsen;
Bruckner, 3e Mis, Credo: Et ressurexit; 3e symfonie, 1e
deel, apotheose van de doorwerking (E groot: Dis-E-Fis-Gis);
De
toekomstige Jupiter-evolutie is ook ‘het nieuwe Jerusalem’, en in het
slotkoor uit Mahlers apocalyptische 2e symfonie wordt in de
Jupitertoonsoort Es groot ook letterlijk het nieuwe Jerusalem bezongen (de
opstanding); (in de finale worden de apocalyptische rampen, het nulpunt van het
pralaya, en dan wordt de schepping van de nieuwe wereld in het Es-groot-slotkoor
uit de finale uitgebeeld….!)
_________________________________________________
De secunde C-D drukt ook een enorme wilskracht uit,
de wilskracht die ook in ons etherisch lichaam sluimert, de kracht die in
planten werkt waardoor bomen dwars door stenen kunnen groeien. Onze
levenskrachten regenereren ook ons lichaam, hierin gaan de levenbrengende,
genezende krachten schuil, die iedere nacht opnieuw tijdens de slaap ons lichaam
weer opbouwen. Van de enorme krachten die in ons onderbewuste etherische lichaam
leven wordt de mens zich bewust die zijn levensgeest ontwikkelt, en die in staat
is deze krachten bewust te sturen en te hanteren, en naar buiten te laten
stromen. Vanuit de Boeddhi kunnen ingewijden, zoals Christus ook liet zien, een
zodanige kracht naar buiten laten stromen dat de mensen om hem heen spontaan
genazen. Dit kunnen we aan de kleine septiem (G-F) ervaren: Een enorme kracht
wordt in de kleine septiem uitgedrukt. De F is de Venustoon. Tijdens de
toekomstige Venus-evolutie zal de mens deze Levensgeest ten volle ontwikkelen en
een dergelijke kracht uitstralen.
De
F als Venustoon drukt ook liefde en verlangen uit, de septiem G-F staat immers
ook voor het romantisch verlangen naar ‘het allerhoogste’ omdat hij bijna
het octaaf bereikt heeft… F (en ook Fis) is dus ook een toonsoort die zich
leent voor vriendelijke en lieflijke muziek (Venusstemming).
Liefde en verlangen, Venusstemming in F en Fis:
Bruckner, 6e symfonie, 2e deel, reprise 2e
thema en slot; 2e thema, 1e deel, 3e symfonie;
Mahler: 5e symfonie, adagietto; Grieg: Erotik; Schubert: Quatremain,
Fantasie in F-klein, begin; Verdi,
Aida, slotduet (liefdesdood, met stijgende septiem in Fis groot);
Tegelijkertijd
is F groot ook een typisch pastorale en weldadige toonsoort (6e
Beethoven), evenals D groot… Men zou kunnen vermoeden dat het luisteren naar F
groot weldadige, genezende krachten bewerkstelligt (het 1e deel van
Beethovens 6e!)…
F groot als pastorale toonsoort: Beethoven, 6e
symfonie, vooral het 1e deel; slot 2e deel, 6e
s. Bruckner; Wagner: Götterdämmerung, 3e akte, begin, het gezang
van de Rijnzusters; Schumann: Träumerei; Mahler: 3e symfonie, 1e
deel, het eind (Pan trekt de natuur in en brengt de zomer…);
Ook
geldt de F als ‘de toon van Golgotha’, de Christustoon. Vaak meer opgevat in
de zin van Christus als de liefhebbende en medelijdende God, die uit opofferende
liefde ‘de zonden’ der mensen helpt meedragen. De F is de
‘liefdes-toon’…: (F groot geldt ook als toonsoort van de Vissen, een
Christus-symbool)
F groot en F klein als ‘Christus-toonsoort’,
‘de toon van Golgotha’, die medelij-dende, opofferende liefde uitdrukt: Bach:
Mattheuspassion: koraal ‘O Haupt voll Blut und Wunden’; Verdi, Requiem,
‘recordare’ (lieve Jezus); Bruckner: 3e Mis, begin en eind; Fauré:
‘Requiem’, Agnus Dei; Brahms: Deutsches requiem, begin en eind (Zalig zijn
zij die leed dragen); Wagner, Vliegende Hollander-ouverture, 2e
thema, het Senta-thema, die zich voor de vervloekte Hollander wil opofferen uit
liefde ! Rimsky Korsakow:’De onzichtbare stad van Kitesj’, het slotkoor
(symboliseert de russische Graalstempel!); gedeelten uit ‘Groot Russische
paasfeest;
Ook
drukt zich in de septiem iets uit van een crisismoment, met name de grote
septiem drukt wanhoop, overweldigende smart en pijn uit. Het uitkreten van pijn,
smart en wanhoop ervaren we in de grote septiem. Wellicht kunnen we dat
verbinden met het getal 666, het getal van het laatste oordeel, de uitscheiding
van de ‘onverbeterlijke Maan’, immers de grote septiem is ook een
Maan-interval… Ook in de toonsoorten F klein en Fis klein kunnen zich zeer
duistere, zwarte, dreigende en dramatische stemmingen uitdrukken! (onweer!
onheil…)
F klein: Beethoven: Appasionata-sonate (finale),
Egmond-ouverture; 4e deel 6e symfonie, het onweer;
Schumann: ‘In der nacht’; Wagner, ‘Die Walküre’, het ‘Hundingthema’;
Tsjaikowsky, 4e symfonie, 1e deel; Brahms: Finale 3e
symfonie; Wagner: 3e akte Tristan und Isolde, voorspel (het lijden
aan de wond); Siegfried, voorspel 2e akte (zeer duister en dreigend);
Respighi: ‘Feste Romane’ 1e deel, circus maximus, de verschijning
van de leeuwen en de Christenen die al zingend door de leeuwen worden opgevroten;
De zeer dissonante 4e symfonie van Vaughan Williams in F klein (begin
en eind!);
Fis
klein: Webern, 2e akte –Freischütz, de demonische ‘Wolfsschluchtscène’;
Wagner, ‘Lohengreen’, samenzweringsscène van Ortrud en Friedrich; Grieg:
Peer Gynts terugkeer (bij een storm op zee); Chopin: Prelude;
Aangezien
we de toonsoorten toch in de eerste plaats aan onze aardetoon C refereren
ervaren we het ‘septiem-achtige’ toch eerder aan de toonsoort B (en Bes)
welke met de C een èchte septiem-verhouding heeft. Daarom is ook de toonsoort
B, met name B klein een toonsoort die een sterk ‘crisis-gehalte’ in zich
draagt, meer nog dan F klein (of Fis klein)….
De ‘uitscheiding van de onverbeterlijke Maan, het
hetal 666, de confrontatie met ‘het beest’, de ontmoeting met het ultieme
kwaad en het laatste oordeel ervaren we wellicht dan misschien eerder in de
volgende B-klein-stukken:
Händel, ‘Messiah’: ‘The people that walketh in
darkness’;
Wagner: Voorspel 2e akte Parsifal – Klingsorscène; Schubert, ‘Der Doppel-gänger’; Tsjaikowsky: finale uit het Zwanenmeer; Manfredsymfonie, 1e deel en finale: In het rijk van Ahriman (de hel); 1e deel 6e symfonie, met name de doorwerking van het 1e deel, en de reprise van het 1e thema!; Romeo en Julia, het strijdthema; Grieg: peer Gynth, in de hal van de bergkoning;
__________________________________________________________________
De
septiem in de toonladder is het spannendste moment van de toonladder, we zijn nu
op een kleine secunde-afstand het ultieme interval van de overwinning genaderd,
het octaaf. We zijn bij de ‘leidtoon’, misschien ook wel als de
‘lijdtoon’ op te vatten… Hoogste spanning, de ultieme spanning en
dramatiek! In de film zien we dan altijd de held in strijd met zijn ergste
vijand, en het is dan steeds kantje boord of hij hem wel zal overwinnen, denk bv.
aan Starwars, ‘The empire strikes back’: Luke Skywalker in een zwaardgevecht
met zijn aartsvijand, de ultieme zwarte satanische Darth Vader. Deze hakt hem
zijn hand af, en hij valt in een groot gat die tenslotte voert naar een
afvalklep waar hij doorheen kiepert. Hij blijft hangen aan een paar stangen,
maar doordat hij een hand mist kan hij zich niet goed vasthouden en valt steeds
verder naar beneden tot hij zich met moeite aan de laatste stang vasthoudt, wat
hij echter ook niet kan volhouden. Onder hem gaapt een oneindige afgrond. Dit is
nu een typisch ‘septiemmoment’… Gelukkig wordt hij net op tijd gered door
zijn vrienden die toevallig met een ruimteschip langskwamen….
Een
‘octaafmoment’: In de film ‘The return of the Jedi’: Luke Skywalker die
met zijn ruimteschip na een gigantische strijd en vele spannende momenten net op
tijd, vlak voordat de ‘deathstar’ op het punt staat de planeet op te blazen
waar de rebellen strijd voeren tegen het ‘empire’, het goede punt en moment
weet te vinden vanuit zijn ‘Jedi-intuitie’ (let the force be with you…) om
de fatale ‘deathstar’ op te blazen en daarmee het fatale opblazen van de
planeet weet te voorkomen en de boze keizer heeft verslagen, en weer recht en
orde in het universum heeft gecreëerd…
Na
het fatale 666 tijdens de Venus-evolutie, wat eigenlijk zoiets is als ‘het
elfde uur’ tov. de 12 uren, het ‘een minuut voor 12’, de septiem die naar
het octaaf verlangt, volgt de ultieme overwinning van het octaaf, het
overwinnings-interval.
De
Saturnuspriem G staat voor het stoffelijke lichaam, het ‘Vulcanus-octaaf’
staat voor het Atman, de Geestmens. Nu is de mens eindelijk ‘compleet’, hij
heeft zijn doel bereikt, hij is een ‘echt mens’ geworden. Het octaaf staat
voor de complete mens, de totale mens, de mens die ‘af’ is, die volledig is,
die de eigenlijke menselijke ‘volwassenheid’ heeft bereikt…
Het octaaf staat ook voor het IK, zoals de priem ook
een IK-interval is in de zin van de ontmoeting met zichzelf in zichzelf, zo
staat het octaaf voor de mens die zijn menszijn naar buiten poneert als een
soort held, als iemand die zegt: Hier sta IK, ik sta rechtop voor je, IK, de
complete, voltooide, volledige mens.
Hier staat de ware mens, de geestmens, de opgestane
mens. Het octaaf staat ook voor de ‘rechtopstaan-beweging’, de IK-beweging,
datgene wat Christus in het standbeeld van Steiner uitdrukt met zijn I-IK-gebaar.
De mens als koning, als kroon op de schepping, als vervulling van het einddoel
van de evolutie, als de opgestane en overwinnende Godmens.
In de
finalethema’s van Bruckner-symfoniën vinden we ook vaak heroïsche
octaventhema’s. Het slot van een Bruckner-symfonie drukt ook vaak deze
ultie-me overwinning uit, en het opvallende is het dat Bruckner zijn symfonie
als einddoel altijd laat uitmonden in het thema van het begin van zijn symfonie
(het hoofdthema van het 1e deel). Dit beginthema van een
Bruckner-symfonie drukt ahw. het oerbegin uit. Vanuit een oerniets (alleen maar
de ijle warmte van het oude Saturnus klinkt in een zacht strijkers-tremolo),
wordt een elementair thema, vaak in priemen, kwinten of octaven geboren. Vaak
een priemen-thema wat het stoffelijke lichaam uit de Oer-Saturnus uitdrukt (bv.
9e symfonie). Aangezien het stoffelijk lichaam van de oermens door
‘de geesten van de wil’, de ‘Tronen’ werd geschapen, hun oerwil drukte
zich uit in warmte, kan men zeggen: De oermens werd uit de Vader Gods geboren…
Uit de Vader werden wij geboren, en tot de Vader zullen wij weer terugkeren, met
hulp van de Zoon Gods (Christus), want deze zegt: ‘Niemand komt tot de Vader
dan door mij’. Het ultieme doel is echter het bereiken van de ‘Godszaligheid’,
de mens die via Christus, de Zoon Gods weer opgaat in ‘de Vader’. Dat doet
Bruckner nu aan het eind van zijn symfonieën. Na vele muzikale crisissen,
strijd, louteringen, wanhoop en vertwijfeling, tot aan het laatste moment,
verschijnt een soort ‘red-dend’ koraalthema, een ‘zonnethema’ zou je
kunnen zeggen (bv. aan het slot van de 4e symfonie), wat ahw. de hulp
en de zegen van Christus uitdrukt, wat ten-slotte voert naar het einddoel: Het
oer-begin-thema, ahw. het oude Saturnus, nu in een soort apotheotische ‘octaaf-vorm’,
als absolute overwinning en einddoel, waarmee de muziek ahw. weer terugvoert
‘tot de Vader’, nu ahw. de vervulling en de overwinning van de symfonische
evolutie verbeeldend, de terugkeer naar de Vader in een ultieme muzikale
apotheose van de ‘Godszaligheid’….
Zo is de toonladder ahw. de ‘kosmische evolutie’
in het klein….
___________________________________________________
Voorbeeld van G groot waarin iets van dit
‘octaaf-beleven’ kan worden ervaren is het begin van het ‘Te Deum’ van
Dvorack;
Aangezien
we tijdens onze aarde-evolutie de C als aardetoon ervaren kunnen we ons
voorstellen dat men in werken in C ook in de eerste plaats dit triomfantelijke
octaaf-beleven zullen aantreffen.
Men kan het ook wellicht het beste beleven aan de
volgende stukken in C:
Bruckner, finales 1e, 2e en 8e
symfonie; Begin en einde van het Te Deum (!!); R. Strauss: ‘Also sprach
Zarathustra’, begin; slot: ‘Tod und Verklärung’; Het ‘oc-taventhema’
uit ‘Elektra’ (?); Hoornthema uit ‘Don Juan’; Saint Seans: Finale 3e
symfonie; Liszt, eind van de Faust-symfonie; slot ‘Les Préludes’; Brahms,
slot 1e symfonie; Händel: Slotkoor ‘Israel in Egypt’; Beethoven,
finale 5e symfonie; Bruckner, 7e symfonie, Adagio, climax
van het koraalthema;
Overzicht:
Oude Saturnus
G
stoffelijk lichaam
priem-basis
kwint (oerpriem)
Oude Zon
A
etherlichaam
secunde (leven) sext (stralend)
Oude Maan B astraallichaam terts (emoties) septiem (extase)
Mars-evolutiefase C lager IK
kwart
(ontwaken) aarde-, grondtoon
Mercurius-fase
D
hoger IK
kwint (wijsheid)
secunde, beweging
Jupiter-evolutie E
Manas/Geestzelf sext (liefde)
terts (verhevenheid)
Venus-evolutie
F
Boeddhi/levensg. septiem (geneeskracht, spanning, crisis, verlangen)
Vulcanus-evolutie
G Atman/geestmens
octaaf (overwinning)
kwint (Dominant)
_____________________________________________
De Antimachten
Volgens Steiner zijn er verschillende soorten van
boze machten, die al meerdere malen genoemd zijn, maar waar we nu wat nader op
in zullen gaan.
Het
zijn wezens die afkomstig zijn van de engelenhiërarchieën, die zich echter van
hen hebben afgesplitst en zich van de gewone evolutie hebben afgezonderd. Zij
zijn voornamelijk afkomstig van de wezens van de 3e hiërarchie omdat
zij zich, net als de andere wezens van de derde hiërarchie, met de mens en de
menselijke cultuur bezighouden en een verwante taak tov. de mens hebben als de
gewone hiërarchische wezens van de derde hiërarchie.
Volgens
Steiner kan men in strikte zin niet spreken over ‘kwade geesten’, aan-gezien
zij een belangrijke en nuttige functie hebben in de menselijke evolutie, en voor
onze evolutie ook noodzakelijk waren. Liever spreekt hij over ‘tegenstrevende
machten’. In eerste instantie zijn de werkzaamheden van deze wezens nuttig en
noodzakelijk, zij proberen echter steeds meer macht uit te oefenen over de
menselijke evolutie waarbij ze te ver zijn gegaan en waardoor hun aanvankelijke
nuttige invloed tot een verkeerde, pathologische werd, die door de mens op den
duur moet worden overwonnen.
In
principe zorgden deze wezens ervoor dat de mens zich afzonderde van de andere hiërarchische
wezens en de vrijheid van het (lagere) IK kon ontwikkelen, wat noodzakelijk was
om überhaupt aan een IK-ontwikkeling toe te komen.
God heeft ahw. toestemming gegeven om de mens te verleiden, net zoals God aan het begin van Faust van Goethe aan Mefisto toestemming geeft om Faust te verleiden. De mens ondergaat hierdoor een leerproces waaraan hij geestelijk kan groeien. Door obstakels en uitdagingen op zijn weg te creëren kan de mens zich sterken. Zonder de tegenstrevende machten zou de mens altijd in een droomtoestand ingebed zijn gebleven in de hemelse wereld van de goden, en nooit zelfstandig en volwassen zijn geworden. De afzondering van de zondeval was noodzakelijk voor het verwerven van vrijheid, en alleen vanuit die vrijheid kan de mens de liefde gaan ontwikkelen….
_______________________________________
Lucifer en Ahriman vormen extremen die elkaars
tegenpool zijn.
Het Christelijke is het menselijke midden, de
evenwicht en harmonie van de ziel waarin zich het IK-bewustzijn en de zelfkennis
zich het beste kan ontplooien.
Rudolf Steiner heeft dit uitgebeeld in zijn 9 meter
hoge houten beeldhouwwerk: Christus, ofwel de mensheidsrepresentant tussen
Lucifer en Ahriman.
Tussen bv. de extremen van verspilzucht (Lucifer) en
gierigheid (Ahriman) staat het afwegende Ik, tussen vrijgevigheid en
spaarzaamheid. Tussen de overmoed van Lucifer en de lafheid van Ahriman staat
het afwegende van de Christus-qualiteit in de mens, die balanceert tussen moed
en voorzichtigheid.
Lucifer leeft vanuit zijn binnenwereld en wil deze uitdeien
en grootmaken, hij staat voor de hoogmoed, zelfzucht, arrogantie en
zinderende pathos. Hij is de god van het vuur, evenals Prometheus, die de mensen
het vuur van het Ik bracht.
Ahriman leeft gericht op de aardse buitenwereld en
wil zich daar verharden, inkrimpen, hij staat voor
onderworpenheid, kleinzieligheid, burgerlijkheid en angst, hij is de god
van het ijs, van kou, steen, meedogenloze kilheid.
Lucifer
staat voor egoisme, Ahriman voor materialisme, (Asura’s voor nihilisme).
Wij vinden beide polariteiten terug bv. in Windekind (Lucifer) en Pluizer
(Ahriman, samen met dokter cijfer en de dood) in de Kleine Johannes van Frederik
van Eeden.
Het Christus-principe in de mens staat voor onzelfzuchtige
tegenwoordigheid van geest, die op een flexibele wijze de beide tegenpolen
in harmonie houdt:
(schema
ontleend aan: academie voor persoonlijk meesterschap en communicatie – Roland
van Vliet)
Lucifer
Christus
Ahriman
denken
dogmatisch
overtuigingskracht relativeren
scepticisme
mystificerend
globaliteit nauwkeurigheid detaillisme
provocerend
zelfstandig denken
raadpleging
geen oordeelskracht
associatief
intuïtief rationaliteit
schematisch
voelen
overgevoelig
openheid
gelatenheid afgestompt
arrogant
zelfverzekerd
bescheid onderworpen
sentimenteel
betrokkenheid
discretie
onverschilligheid
opportunisme flexibel
doelbewust
starheid
willen
verspilzucht
vrijgevigheid spaarzaamheid
gierigheid
overmoed
moed voorzichtigheid
lafheid
impulsief
initiatiefkracht
continuïteit
conservatisme
machtsdrift
zelf leiding nemen
inzetbaarheid kleinmoedigheid
Lucifer heeft vooral affiniteit met warmte en vuur
(licht, de rode macht), Ahriman met kou, verstening en verharding (duisternis,
de zwarte macht). Vandaar dat bv. de fatale invloed van Lucifer tijdens Lemurië
uitmondde in vuur- en vulkaanrampen, terwijl later de invloed van Ahriman
tijdens de Atlantische evolutie-periode zich uitdrukte in het ontstaan van de
IJstijd.
____________________________________________
De antimachten als ‘gevallen engelen’
De tegenstrevende machten zijn nakomelingen van de
engelenwezens uit de 3e hiërarchie, de hiërarchie die specifiek
zijn werkterrein heeft in het beïnvloeden van de menselijke ziel en de
menselijke cultuur, als beschermengelen, groeps- / volks- en als tijdgeesten (Aeonen).
Hieronder zien we vanuit welke klasse van engelen de
tegenstrevende machten afkomstig zijn. Bv. de Luciferische geesten zijn engelen,
die zich van de andere engelen hebben afgezonderd en een andere weg zijn
opgegaan. Dit worden dan ‘gevallen engelen’ genoemd. Hetzelfde geldt voor de
ahrimanische geesten en de Asura’s, die weer van andere klassen van engelen
afstammen:
antimacht:
zijn gevallen:
Lucifer
(duivel) Engelen (Boden, beschermengelen)
Asura’s
Archai (geesten der persoonlijkheid, tijdgeesten)
Sorat
Zonnewezens (- antichrist)
Evenals de mens vanuit de oertijd zich van mineraal-
naar planten- naar dier- naar mensbewustzijn heeft geëvolueerd, zo evolueren de
hiërarchische wezens zich.
Wat
betekent nu ‘gevallen’ engelen ?
Ook de boven ons staande hierarchische wezens
evolueerden zich iedere evolutiefase iedere keer een niveau hoger. Tijdens de
vorige evolutiefase (de Maan-evolutie) hadden de huidige engelen, die nu een
geestzelf-bewustzijn hebben een IK- / Mens-bewustzijn. In de fase ervoor (de
Oude Zonne-evolutie) doorliepen de aartsengelen een Mens-bewustzijnsfase, en in
de eerste menselijke evolutiefase (de oude Saturnus-evolutie) doorliepen de
Archai een mensbewustzijns-fase. Schematisch kan men het zo voorstellen:
De
huidige: op oude Saturnus: oude
Zon: oude Maan:
aarde-evolutie:
engelen: slaapbewustzijn
droombew. Ikbewustz.
Geestzelfbewustzijn
(=plantbewustzijn) (=dierbewz.) (mensbwz.)
(=engelbewustzijn)
aartsengelen: droombewustzijn Ikbewustz.
geestzelfbwz. levensgeestbwzn.
(=dierbewustzijn) (=mensbwzn) (=engelbwz)
(=aartsengelbwz)
Archai:
Ik-bewustzijn geestzelfbwz. levensgeestb. geestmensbewzn.
(=mensbewustz.) (=engelbwz.) (aartsengelb.) (Archaibewustzijn)
Tijdens een evolutiefase dienen de goddelijke wezens
dus een ontwikkelingsweg te gaan die hen een bewustzijnstrap hoger voert, maar
evenals er in een schoolklas kinderen zijn die een beetje langzamer gaan dan
anderen, die zelfs moeten blijven ‘zitten’, zo ook in de kosmische evolutie.
De ‘gevallen engelen’ zijn dus
hiërarchische wezens die ahw.
‘zijn blijven zitten’. Dat wil zeggen, dat ze het niet helemaal gehaald
hebben om de ‘eindstreep’ te halen, om bv. van dier- naar mensbewustzijn, of
van mens- naar geestzelfbewustzijn te evolueren…
In die zin zijn ze dus ‘gevallen’, ze zijn
‘blijven zitten’…
De antimachten zijn sterk met de evolutie van de mens
verbonden omdat ze in de fase dat ze hun eigen ‘mens-evolutie’ doormaakten,
in de eerdere evolutiefasen, gingen teren (invloed uitoefenen, ze hadden dat
nodig voor hun eigen ontwikkeling) op het het wezensdeel van de mens dat zich op
dat moment als nieuw aan het ontwikkelen was.
De
gevallen engelen beïnvloedden het menselijke astraallichaam tijdens de oude
Maan-evolutie. Zij ontwikkelden zich tot de Luciferische geesten.
De
gevallen aartsengelen hebben affiniteit met het menselijke etherlichaam
ontwikkeld tijdens de oude Zonne-evolutie, toen zij hun mensfase doormaakten.
Zij ontwikkelden zich tot ahrimanische geesten.
De
gevallen Archai ontwikkelden affiniteit met het menselijke stoffelijke lichaam
tijdens de oude Saturnus-evolutie. Zij ontwikkelden zich tot de Asura’s.
Sorat (666), de ‘anti-zonne-demon’ stamt uit een
eerdere evolutie-fase, van vóór Saturnus, vóórdat de mens er überhaupt was,
en is dus de mensheid daarom, volgens Steiner, extra vijandig gezind….
____________________________________________________
De Luciferische wezens beïnvloedden en beïnvloeden
het menselijke astraallichaam en bewerkstelligen de begeerte en het egoïsme in
het menselijk astraallichaam: antipathie, zelfzucht, hoogmoed, arrogantie, etc.
Zij hebben in het verleden de ‘zondeval’ van de mens bewerkstelligd, de
‘val in de afzondering’, de mens maakte zich los van de gemeenschap met de
goden en sloot zich af in zichzelf, werd daarom ook zelfstandig, kreeg een
zelfstandig IK-bewustzijn waardoor het (lagere) IK-bewustzijn mogelijk werd.
De luciferische wezens infecteerden het menselijke
astraallichaam met begeerte, wat de afzondering bewerkstelligde, want begeerte
betekent dat men zich afzondert omdat men iets voor zichzelf alleen wil hebben.
(‘Blijf af, dat is van mij, dat is mijn snoepje !’ zegt het kind
tegen een ander kind…)
Via het
astraallichaam en de ermee verbonden gewaarwordingsziel proberen de Luciferische
wezens invloed uit te oefenen op het IK. Ze proberen het IK mee te laten zuigen
in de maalstroom van de begeertes, van de passie en de hartstochten en het IK
daarin op te laten gaan. Dat is ook datgene wat Mephisto probeert te bereiken
met Faust: Als hij al zijn wensen en verlangens in vervulling laat gaan, (bv. de
relatie met Gretchen) en Faust zou één keer zeggen: Dìt is het ultieme geluk,
dan zou Mephisto Fausts ziel, beter gezegd zijn IK hebben, maw. : Als het
Lucifer lukt om het IK helemaal op te laten gaan in de begeerten van zijn
astraallichaam (in de ultieme gelukservaring) zou Lucifer het IK van de mens
bezitten. De engelen zeggen aan het eind echter dat Faust altijd is blijven
‘streven’, dwz. nooit met zijn IK zich in de astrale begeertebevrediging
heeft verloren… (wie altijd blijft streven kunnen wij verlossen zeggen de
engelen)
Het doel van Lucifer is echter wel om macht te
krijgen over de ziel van de mens.
Als het IK zich in het astraallichaam incarneert wordt de
gewaarwordingsziel gevormd. Via de Gewaarwordingsziel proberen de Luciferische
geesten hun doel te bereiken. Dat betekent dat de cultuurperiode die in het
teken stond van de Gewaarwordingsziele-ontwikkeling, de Egyptisch-Babylonische
cultuur-peri-ode sterk Luciferisch getint was. Volgens Steiner maakte Lucifer
zelf ook in die tijd, rond 3000 vc. een aardse incarnatie door in het oude
China.
Hetzelfde
geldt voor de volkeren die sterk vanuit de Gewaarwordingsziel leven, zoals de
mediterane volkeren (Italianen bv.), wier zieleleven wordt gekenmerkt door een
grote vurige passie en hartstocht. Deze volkeren kenmerken zich ook door grote
kunstzinnige vermogens, een neiging tot religieuze vervoering, meer als de meer
ahrimanisch getinte noordelijke volkeren.
Veel
van hun typische cultuuruitingen hebben een min of meer ‘luciferisch’
karakter, zoals de opera, de Barokkunst, de strijkersmuziekcultuur van de late
Barok, de hartstochtelijk klinkende taal etc. In de Italiaanse opera is meestal
sprake van een ‘crime passionel’, een ‘Luciferische misdaad’ dus ahw.
Ook de leeftijdsfasen waarbij de nadruk op de
ontplooiing van het astraa-lichaam en de gewaarwordingsziel ligt (pubertijd en
adolescentie, 14-21 & 21-28 jr.) zijn luciferisch getint. Dit geldt ook voor
de 40er jaren (42-49jr.), de ‘Midlifecrisis’. Kenmerkend luciferisch zijn de
vurige hartstochten, de verliefdheid en het rebelse (Lucifer is immers de
‘rebel’!), het opstandige van de jonge mensen (denk aan de Hippie-tijd en de
studentendemonstraties ed. !).
_____________________________________________
De ahrimanische wezens beïnvloeden het menselijk
etherlichaam en hebben het verhard, het doen verkrampen, het doen terugtrekken
tot in de grenzen van het stoffelijk lichaam, wat de oude helderziendheid teniet
deed, waardoor het materialisme kon ontstaan. Door de verkramping van het
etherlichaam voelt de mens zich ahw. samengeperst, zij bewerkstelligen in de
mensenziel angst !
Het etherlichaam en de etherische krachten hangen
samen met het waarnemingsvermogen van de mens, met de zintuigen. Met de ogen
zien we dmv. lichtether, we horen dmv. klankether. Ook het denkvermogen staat
sterk in verband met het etherische. Deze etherkrachten zijn het werkingsgebied
van de ahrimanische geesten, en zij werken daarin zodanig dat zij proberen te
bereiken dat de mens met het etherisch lichaam geheel opgaat in het stoffelijke
lichaam, ze duwen het etherlichaam in het stoffelijk lichaam, wat tegelijkertijd
in de ziel kilte en angst veroorzaakt. ‘Ik werd koud van angst’. Het
samenpersen, samentrekken, verkrampen, verstenen, verduisteren bewerkstelligen
zij in de ziel. Zij manipuleren de etherwereld en ons etherlichaam zodanig, dat
de etherkrachten alleen nog maar de beelden en geluiden van de stoffelijke
wereld aan onze ziel kunnen overdragen. Tegelijkertijd is dat natuurlijk een
bescherming voor ons zodat we geen ongewilde helderziende beelden doorkrijgen !
(dat zou een ramp zijn, een nachtmerrie ! …) Daardoor worden wij echter ook
kleinzielige, nuchtere, zakelijke, verharde, intellectualistische, cynische,
benepen materialisten.
Het
IK incarneert in het etherlichaam en vormt aldus de ‘Verstandsziel’. Via de
Verstandsziel proberen de ahrimanische wezens macht over ons te krijgen. Dat
betekent dat de ahrimanische invloed pas goed op gang kwam tijdens de
cultuurperiode waarbij de nadruk op de Verstandsziel lag: Het Grieks-Romeinse en
Middeleeuwse tijdperk. Vooral bij de Romeinse cultuur, die in het teken van Mars
stond kwam het ahrimanische element duidelijk tot ontplooiing. De Romeinen
kenmerkten zich door een zekere strengheid, starheid, nuchterheid en
zakelijkheid. Het materialisme begon zich hier al te ontplooiien. In die tijd
viel het mysterie van Golgotha, en dankzij deze ahrimanische invloed, die ook de
Joodse cultuur had gedeformeerd, waardoor de schriftgeleerden, de Farizeërs en
Saduceërs de profetieën van hun profeten niet meer in hun spirituele dimensie
begrepen konden ze de Messias niet herkennen, en is Christus de kruisdood
gestorven. Christus kruisiging drukt uit dat de Mensheidsgeest werd
‘gekruisigd’ door het materialisme. Het kruis is een viervorm, dat drukt de
aardse wereld uit. De ziel, ons aller ziel werd ‘gekruisigd, dwz. vastgepind
op de aardse, materieële wereld. De Romeinse cultuur vormt zich om tot de
Roomskatholieke kerk, die gekenmerkt wordt door een Romeins-materialistisch
karakter. De dogmatiek, starheid, doodsheid, de verstening van het denken, de
starre, doodse latijnse taal, wat later de taal werd van de al even starre,
doodse en dogmatische wetenschap, het verharde fanatisme van de inquisitie waren
duidelijk kenmerken van de ahrimanische invloed. Ook het ontstaan van de Islam
valt in die tijd, een al even starre, dogmatische, verhard-fanatieke en
ahrimanisch getinte godsdienst. Ook in de Middeleeuwse kunst, de kerkbouw, de
Gothiek en de Romaanse stijl, het verzamelen van lijken (reliquiën), de
fascinatie voor de kruisiging, voor de dood, dodendansen, begraafplaatsen, angst
voor hel en verdoemenis en het laatste oordeel, ‘de vreze Gods’ ed. drukt
zich de Ahrimanische invloed uit op de Verstandszielecultuur.
Ook
volkeren met een sterke affiniteit met de Verstandsziel vertonen een
ahrimanische tendens, zoals het Franse (en Poolse) volk. Beiden volkeren zijn
fanatiek katholiek (de huidige paus is een Pool). In Frankrijk ontstond de
Gothiek, en in de Middeleeuwen, wat nog steeds de
‘Verstandsziele-ontwikkelingsfase’ is, is Frankrijk toonaangevend in de
cultuur (bv. de Scholastiek) en ook in de muziekontwikkeling (Notre dame school)
en in de kathedraalbouw etc.
Het
marciaal-ahrimanische element (van de oude Romeinen) vinden we in Frankrijk
terug in het krijgszuchtige heldendom (Napoleon, de Marseillaise, het patriottisme),
het ‘verstandsziele-element’ vinden we in het Rationalisme, het
intellectualisme, in de neiging tot het anti-romantisch klassicisme in de
muziek. (bv. het Neoklassicisme, Poulenc, Strawinsky, Mihaud, Satie) Ook de
humor en spotternij is kenmerkend ahrimanisch-satanisch: Satanische spot, zoals
bij Satie, Strawinsky (de 2e, franse periode), Roussel, bij de
bijtende spot van Voltaire etc.
De
leeftijdsfasen met een nadruk op de ontwikkeling van de verstandsziel, zoals
28-35, ook wel 49-56 kenmerken zich door een zekere pragmatische zakelijkheid.
(ook min of meer 7-14 jr. (etherlichaam-ontwikkeling), de leeftijd van de
‘computergenieën’, de zg. ‘wizkids’…)
De ahrimanische geesten hebben als doel om, via het etherische, macht te krijgen over het lichaam van de mens en hem daarin te verharden. Het liefst zouden ze een ‘Robot-maatschappij’ willen creëren, bv. zoals de ‘Borg’ uit de televisie-serie: ‘Startrek next Generation’ (en ‘Startrek Voyager’)…..
_________________________________________
In het Bewustzijnszieletijdperk verdiept de ahrimanische tendens zich in de cultuur nog sterker. De bloei van de materialistische wetenschap die vanaf de Renaissance opkomt is daar het duidelijkste symptoom van. Ook de volkeren die sterk vanuit de Bewustzijnsziel leven zoals de Noord-Europese volkeren, met name het Engelse volk, vertonen dan ook een sterk ahrimanisch karakter. Met name bereikt het ahrimanische element zijn hoogtepunt in de 18e en vooral de 19e eeuw als het Engelse volk het meest toonaangevende volk wordt, in het ‘Victoriaanse tijdperk’, en Engeland in 1900 ¼ a 1/3 van de wereld en wereldbevolking in zijn macht heeft. Het ‘Britannia rules the waves’ van het ‘British empire’ geldt dan. De Engelssprekenden volkeren neigen nog meer naar het ahrimanische als het Franse volk, aangezien de Britten de meer theoretisch-filosofische tendens van de Verstandsziel vooral ook in het sterke willen en doen van de Bewustzijnsziel in de practijk brengen, in pragmatisme vorm gieten. ‘Sound common sence’, nuttigheid, geven hier de toon aan. In de 20e eeuw wordt de leidende rol van Engeland overgenomen door Amerika. Men krijgt de indruk dat de ahrimanische tendensen in het tijdperk van ‘hightech’, de computer, internet, zaktelefoons, ‘vitual reality’, film en tv., industrialisatie, auto’s, steriele flats van glas en metaal, millieuvervuiling, bevolkingsgroei en ontbossing etc. naar een hoogtepunt gaat. Wellicht zullen de Engelssprekende volkeren het gehele Bewustzijnszieletijdperk toonaangevend blijven. Als culmi-natie van deze ahrimanische tendenzen heeft Steiner aangegeven dat er in het 3e milennium een incarnatie van Ahriman zal plaatsvinden, in het Westen. Sommige mensen geloven dat dit reeds in de 21e eeuw zal plaatsvinden, dit naar aanleiding van het boekje van Solovjov: ‘Korte vertelling van de Antichrist’, wat Steiner zelf naar voren heeft gebracht als zijnde een belangrijk boekwerk. In dit boekje verhaalt de in 1900 overleden Russische filosoof over een supermens die in de 21e eeuw zal worden geboren en die aan het hoofd zal komen te staan van een wereldregering. Hij zal in die positie zorgen voor vrede en voorspoed voor alle volkeren zodat het zal lijken of hij een wereldreddende Messias is. Daarachter rijpt echter het plan om het Christendom te vernietigen. Hij wil zelf de plaats van Christus innemen, als de nieuwe ‘Messias’. Samen met een oosterse magiër laat hij in Jerusalem een groot concilie beleggen voor de Christenen om hen op slinkse wijze te onderwerpen.
----------------------------
Als men het beeld van de 3 kruizen op Golgotha bekijkt dan ziet men ook het beeld van Christus, omringd door Lucifer en Ahriman. De luciferische misdadiger toont berouw, de ahrimanische bespot hem. (de gradatie van het kwaad neemt toe als we van Lucifer naar Ahriman gaan, en wordt nòg erger bij de Asura’s en Sorat)
Zo staat de incarnatie van Christus ook in het midden, rond het jaar nul, tussen de incarnatie van Lucifer, in een Luciferisch getint tijdperk (van de gewaarwordingsziel) in het 3e millenium vóór Christus, en de incarnatie van Ahriman, in een Ahrimanisch getint tijdperk in het 3e milennium ná Christus !
De mensheid zal als geheel door dit duistere tijdperk heen moeten om geestelijk verder te kunnen evolueren, want ook Ahriman bewerkstelligt door zijn invloed de mogelijkheid tot afzondering en daarom tot vrijheid.
-------------------------------------------------------------
De
kruisiging van de ziel
In veel Oosters getinte richtingen wordt het ‘IK’ van de mens afgedaan als zijnde iets triviaals en egoistisch, iets wat je in je ontwikkeling naar verlichting zou moeten ‘ontstijgen’. Hierin zit een zeer groot luciferisch of zelfs asurisch gevaar. De mensheid heeft het nodig om een tijd lang op aarde zijn lagere IK te koesteren. Hij moet zelfs in ‘afzondering’ kunnen ‘zondigen’, hij moet zich met de aarde en met de begeerte voor lagere lusten en bezit, geld, huis, auto, vrouw etc. zijn Ikgevoel kunnen versterken. Egoisme is echter niet hetzelfde als ‘IK’. Egoïsme is astraal, want ook dieren zijn egoïsten die hun lusten en hun eigenbelang achterna lopen, en dieren hebben géén ‘IK’! Men dient niet het astraal-luciferisch egoisme te verwarren met IK-bewustzijn, Ikgewaarzijn…
Lucifer trekt het Ik het astraallichaam in via egoistische begeerten, wensen, verlangens, en Ahriman trekt dan het IK met zijn aandacht naar de aarde toe, zodat de mens met slimheid en intellect al deze begeertes in het materiële kan bevredigen, via geld en bezit, macht, slimheid, etc.
Maar terwijl de mens dan meerdere incarnaties doormaakt waarbij hij zich wentelt in aardse genietingen en lusten, en andere aardse ervaringen opdoet, zijn denken schoolt, de wereld onderzoekt, ervaringen met mensen opdoet etc. wordt ook het Ik zelf gesterkt in zijn zelfbewustzijn. De schepper moest het echter zo inrichten dat de mens door middel van het genot wat het aardse ons kan bieden wij de behoefte hebben om überhaupt op aarde te zijn, waarbij we dan ondertussen ahw. spelenderwijs ons IK-bewustzijn kunnen verdiepen.
Men kan het vergelijken met een klein kind die we met iets aanlokkelijks zover weten te brengen om iets te gaan doen wat leuk lijkt (en ook is), maar waar hij ondertussen ook iets nuttigs van leert. (bv. een leerspelletje)
Dat egoisme en materialisme versterkt het aardse IKgevoel, wat echter ondertussen ook het hogere IK, wat daarin verborgen zit, sterkt, zodat als we later de weg naar de geest gaan zoeken en de geesteskiemen die in het Ik zitten verborgen willen ontwikkelen, het IK zelf sterk genoeg is om dit aan te kunnen.
Wie met een ‘zwak IK’ de geestelijke wereld betreedt is als een prins die door de draak wordt opgevroten. De gekkenhuizen zitten vol met mensen die hun IK hebben verloren of gedeeltelijk vernietigd door de geesteswereld te betreden terwijl hun IK nog te zwak was om alle verschrikkingen die ons daar staan te wachten te kunnen verdragen (de confrontatie met de dubbelganger, de schaduw, de duivel)… Dat kan bv. door drugsgebruik, het zoeken naar ‘kicks’ en extase, medicijnen, verkeerde inwijdingswegen, verkeerde yoga-oefeningen etc.
We moeten daarom het ahrimanische niet als iets gevaarlijks afdoen, ons in een klooster afzonderen om de hele dag te biddden, mediteren en te vasten ed.
De moderne mens dient zich geheel en al met het ahrimanische te verbinden, zoals de leraar van Steiner zei: Om de draak te verslaan (het materialisme) moeten we in de huid van de draak kruipen om hem te begrijpen en te doorzien. Ook Faust verbindt zich met Mephisto en deze laat al zijn wensen uitkomen. Hij verbindt zich volledig met hem (zijn schaduw), maar toch kan Mephisto Fausts ware IK niet in zijn macht krijgen.
De moderne mens dient zich vooral in het denken met het ahrimanische te verbinden, want de exacte fenomenologische wetenschap kan tot de weg naar de geest worden als men het ‘dode denken’ omvormt tot het ‘levende denken’…
Men kan zeggen dat we in een sterk ahrimanisch tijdperk leven waarbij we kunnen spreken over een ‘kruisiging van de ziel’, de ziel wordt vastgepind op het aardse. Daar moeten wij allemaal doorheen, want alleen op de kruisdood, die de ziel momenteel ervaart kan een opstanding volgen, een nieuwe lente in de ziel waarin dit materialisme wordt overwonnen.
Het gevaar van het ahrimanische is, dat hij de ziel wil vasthouden en aan het aardse wil vastketenen, en een zodanige macht over de ziel wil uitoefenen dat de mens in een toestand van onvrijheid komt, een onvrij vastgeketend zijn aan het materialisme, wat tot een zekere ondergang zal leiden, waarbij de ahrimanische invloed ahw. de weg vrijmaakt voor de vernietigende invloed van de asura’s.
Steiner beeldt dat uit in zijn beeldhouwwerk: De mensheidrepresentant wijst Lucifer en Ahriman op hun plaats. We kunnen Ahriman gebruiken, hij is zelfs noodzakelijk voor ons bestaan, zolang hij bepaalde grenzen niet overschreidt.
In het Existentialisme van Sartre zien we wat de ultieme consequentie is van het materialistisch ahrimanisch wereldbeeld. Het leidt naar de depressie, naar angst, naar een zwarte wereld van doem.
-------------------------------------------------------
Lucifer en Ahriman in de literatuur en de cultuur
Lucifer en Ahriman zijn een archetypische polariteit
die we op allerlei manieren in de kunst, de literatuur, in films, in de cultuur
aantreffen.
Men
heeft onder de mensen natuurlijk uitgesproken luciferische en ahrimanische
types, alsook meer de menselijke middentypes.
Ook
kan men de extremen in één mens aantreffen, bv. in degene die ‘manisch
depressief’ is. Daar zien we een afwisseling van de meer ahrimanische
depressie, (wat vaak gepaard kan gaan met angst – de zwartkijker) en de in een
fantastische optimistische illusiewereld levende luciferische manie…(wat vaak
gepaard gaat met illusionaire overmoed - de roze bril)
Iemand die naar een van beiden is geneigd is dus
ofwel ahrimanisch ofwel luciferisch gekleurd.
Opvallend
is het feit dat ik met dit soort mensen altijd het gevoel heb niet met een echt
‘IK’ van doen te hebben. Beide extremen komen als theatrale
‘aanstelleritus maximus’ over, als toneelspel, als lachwekkende karikatuur.
De èchte mens is de mens van het evenwicht, alleen met een evenwichtig mens kan
men ècht een gesprek ‘van mens tot mens’ voeren, waarbij men het gevoel
heeft ècht met een ander ‘IK’ in gesprek te komen en ‘echt’ contact te
hebben….
In de literatuur, opera, film etc. komen we Lucifer
en Ahriman (luciferische en ahrimanisch getinte mensentypen) op een veelkleurige
wijze tegen:
Een sterk ahrimanisch getinte ziel is cynisch en
belust op geld en macht, bv. de vrek ‘Scrooge’ uit het kerstverhaal van
Dickens. Ook ‘Droogstoppel’ uit ‘Max Havelaar’ van Multatuli is een
typisch ahrimanisch type. Überhaupt de ‘Philister’, de bekrompen
‘kleinburger’ is een typisch ahrimanisch type. Multatuli plaatst hem dan ook
uitdrukkelijk tegenover een luciferisch dwepend kunstenaarstype (een jonge
dichter).
We
vinden in literatuur, opera en films vaak deze polariteit van Lucifer en Ahriman
tegenover elkaar staan.
Het
meest sprekende voorbeeld hiervan vinden we in ‘De kleine Johannes’ van
Frederik van Eeden. Windekind vertegenwoordigt de verleidelijke wereld van de
illusies, de droom- en fantasiewereld van het kleine kind (Lucifer). Pluizer
vertegenwoordigt de alledaagse wereld waarin de puber terechtkomt die
‘aarderijp’ wordt, de harde wereld van de ‘realiteit’. Via Pluizer komt
Johannes ook in contact met dokter Cijfer en de dood. Ahriman wil alles meten,
wegen en tellen en alles dood maken, zoals men dat in de moderne wetenschap
doet. Lucifer wil ons van de aarde wegvoeren naar een mooie wereld van dromen en
fantasieën…
Wagner heeft Lucifer en Ahriman veelvuldig in zijn
operafiguren uitgedrukt.
Luciferische figuren in Wagneropera’s zijn bv. de
verleidelijke Venus uit de Venusberg uit Tannhaüser. De figuren Tristan und
Isolde zijn geheel en al bevangen door luciferische passie (verliefdheid is
luciferisch!). In Parsifal probeert Klingsor de Graalsridders te verlokken en te
verleiden door zijn luciferische bloemenmeisjes en met name door Kundry. In de
Ring geldt Loki (Loge) als Lucifer, hij is ook de God van het vuur.
Een ahrimanische figuur vinden we bv. in ‘Der
Meistersinger von Nürnberg’ in de kleinburgerlijk-bekrompen en kleinzielige,
dogmatische Beckmesser, die zich persé aan de regeltjes van de liedkunst der
meesterzangers moet houden in plaats van zijn hart te laten spreken (en zijn
inspiratie). Een verwant type is bv. de laffe en angstige Mime uit ‘Siegfried’,
die tegenover de meer christelijk-luciferische en overmoedige Siegfried staat.
De
zeer boosaardige zwarte kant van de satanisch-ahrimanische macht vinden we in
‘Der Ring des Nibelungen’, in de figuren Alberich en Hagen. Überhaupt heeft
‘De Ring’ als hoofdthema de materialistische begeerte naar goud, geld en
macht, wat de meest typerende boosaardige tendens van het ahrimanische is.
Wagner
begon met het componeren van dit werk dan ook in 1848, het jaar van de
‘Goldrush’ in Amerika. Dit was een zeer bijzonder jaar dat op vele fronten
een doorbraak naar het ahrimanisch materialisme liet zien, zoals de uitvinding
van het spiritisme, de doorbraak in de wetenschap naar materialistische ideeën,
de ontdekking van Neptunes, de revolutie in Parijs en Dresden, de doorbraak naar
het kapitalisme in de industrie, de uitbuiting van de arbeiders, kinderarbeid,
‘het communistisch manifest’ van Marx en Engels etc.
In
dezelfde tijd ontstond ook het genre van de detectivestory, een typisch
anglo-amerikaans, ahrimanisch getint, typisch van het materialistische denken
doordrongen cultuurverschijnsel. Bv. Sherlock Holmes, die evenzeer een typisch
ahrimanische figuur is: kil, berekenend, superintelligent, slim, etc. (hij gaat
uit van de puur stoffelijke factoren, de stoffelijke bewijzen) wat weer staat
tegenover de meer emotionele (en dus luciferisch getinte) dokter Watson.
Dezelfde polariteit vinden we in de figuren Hercule Poirot en zijn ietwat domme,
gevoelige en eeuwig verliefde compagnon, kolonel Hastings (Agatha Christie).
Het
ahrimanisch boze, wat verwant is met het Schorpioentype is een mensentype dat
door list en bedrog en manipulaties anderen ten val brengt ofwel zijn kwade
plannen weet te realiseren. Heel vaak zien we dan ofwel wraakzucht, jaloezie of
hebzucht als motieven achter het boze handelen staan.
Klassiek
ahrimanisch is bv. de ‘moord uit voorbedachte rade’, de stiekeme, geniepige
en de ‘perfecte’ moord, uit de hebzucht naar geld zoals we in bijna alle
Engelse en Amerikaanse detectiveseries zien, zoals ‘Murder she wrote’, en
vooral ‘Columbo’ waarbij altijd een krachtmeting in slimheid, bedrog,
manipulatie en raffinement plaatsvindt.
Aangezien
volgens Steiner de ahrimanische machten vooral vanuit het (materialistische)
Westen werken, en de Luciferische machten meer vanuit het (meer spirituele)
Oosten is het in die zin typerend dat dit soort detectivestory’s typisch
Engels-Amerikaanse creaties zijn. Sherlock Holmes van sir Conan Doyle, de
creaties van Agatha Christie zijn het bekendste.
In de opera’s van Verdi zien we bv. de polariteit
van Lucifer en Ahriman in de tegenstelling tussen de gebogelde, wraakzuchtige en
cynisch-spottende hofnar Rigoletto, tegenover de eeuwig verliefde,
vrolijk-gepassioneerde en zijn dochter achterna-zittende Hertog. De vader van de
geliefde van ‘La Traviata’ is een typische ahrimanische figuur, een vanuit
het geniep intrigerende booswicht. Een van de meest kwalijke is natuurlijk Iago
uit Otello: De Otello opstokende intrigant, die de hartstochtelijke, meer
Luciferische Otello tot een ‘luciferische moord’, een ‘crime passionell’
weet aan te zetten.
Kenmerkend
ahrimanisch is de leugen, het intrigeren, manipuleren, stoken, en het stiekeme,
geheime, onzichtbare, gemene; -mensen tegen elkaar uitspelen etc.
Typerend
Luciferisch is over het algemeen het ijdele kunstenaarstype, de mooie man of het
mooie meisje met de prachtige bos haar, die ze de hele dag koesteren (het Jan
Vayne-type), mensen die opgaan in ijdelheid en zelfzucht, in narcisme, in
zelfverheerlijking. In die zin was keizer Nero (uit de film ‘Quo Vadis’) dan
ook wel een typisch Luciferisch type.
Pronkzucht
is dan ook typisch Luciferisch, wat in onze cultuur zijn hoogtepunt bereikte in
de Barokkunst. Met name Versailles, gebouwd door de Zonnekoning die met: ‘de
wet, dat ben ik’ wel het summum van ijdelheid en zelfverheerlijking bereikte,
dat alles is typisch luciferisch.
Ook
Hitler was in die zin een typisch luciferische figuur, met zijn
zelfverheerlijkende toespraken (het feit dat iedereen ‘Heil Hitler’ moest
zeggen bij de Hitlergroet), terwijl de meer vanuit de onzichtbaarheid werkende
achterdochtige, angstige, geniepige Stalin een typisch ahrimanische dictator
was.
Typische
luciferische types zijn vooral operadiva’s, dirigenten, filmsterren, solisten,
pianisten, klavierleeuwen, violisten, romantici en andere ijdeltuiten.
‘Hoogmoed
komt voor de val’ zegt men dan vaak, en in die zin ziet men dan
bij deze figuren het lot van de naar het allerhoogste strevende rebel
Lucifer die door Michael ten val wordt gebracht herhaald in de levensverhalen
van veel aan hoogmoedswaanzin lijdende dictators, zoals Napoleon, Hitler, Nero,
Caligula, Caucescu, Wilhelm II, Mussolini, Napoleon III, etc.
Ook
dictators die niet ten val komen zijn vaak typisch luciferisch en pronkzuchtig.
Vaak laten ze enorme gebouwen neerzetten ter meerdere glorie van zichzelf, zoals
de vele Franse koningen en keizers, de Duitse, Oostenrijkse, Spaanse, Afrikaanse
keizers (koningen) etc.
Ook
de wedstrijd in het neerzetten van de hoogste wolkenkrabber ter wereld die al
minstens een eeuw aan de gang is is in die zin typisch luciferisch: Eerst de
Chryslerbuilding die werd verslagen door het Empire-State-Building, daarna door
het World-Trade-Centrum, daarna door een gebouw uit Chicago, toen de Petronas
Towers, en wie weet binnenkort misschien de nieuwbouw op de plaats van het oude
World Trade Centrum…..
De polariteit Lucifer-Ahriman is een archetypische
tegenstelling die men overal aantreft, en die men ook eventueel in de polariteit
Stier-Schorpioen kan plaatsen. Dit drukt de polariteit willen-denken uit,
waartussen men dan als het Christelijke element de Waterman, in zekere zin ook
Leeuw kan plaatsen (die ook meer Luciferisch is).
Heel
mooi ziet men deze polariteit in de hoofdfiguren van de opera ‘Porgy and Bess’
van Gershwin. We zien hier hoe de vrouw Bess omringd wordt door drie met elkaar
concurerende minnaars. Ten eerste de ‘domme kracht’, de havenarbeider Crown,
een Luciferische woesteling, die een ‘crime passionell’ begaat door in
dronkenschap tijdens een gevecht een andere man te doden. Later komt Bess hem
tegen op een eenzaam eiland in het wilde oerwoud waar hij zich verstopt heeft.
Daar houdt deze ‘wilde man’ haar nog enige dagen gevangen.
Kenmerkend is ook dat Crown tijdens een orkaan komt
om Bess te halen. Deze orkaan, deze domme kracht van de natuur is hij eigenlijk
zelf, de storm van de gepassioneerde liefde in zijn ziel, die met geweld Bess
wil veroveren,,,
Tegenover deze pure luciferische passie van de ‘Stier-wilskracht’,
de ‘domme kracht’ staat de ongure figuur Sporting Life, die Bess met
slimheid probeert te verleiden door haar aan de cocaïne verslaafd te laten
raken. Hij is ook rijk en wil haar meenemen naar New York. Hij is als een
geraffineerde Schorpioen, die ahw. vanuit een hinderlaag zit te wachten op een
gunstig moment om zijn prooi (Bess) in een valstrik te lokken, en met leugen en
bedrog, met een ‘schorpioen-steek’ probeert in zijn spinneweb te lokken…
Dit gebeurt aan het eind van de opera, als hij Bess wijsmaakt dat Porgy in de
gevangenis is gestopt en levenslang heeft, zodat zij zwicht voor de verleiding
van het geld en de cocaïne en de lokroep van de grote stad en met hem meegaat
naar New York.
Iedere
keer als hij zijn kans even schoon ziet probeert hij haar met list en bedrog,
met verleiding en raffinement in zijn netten te lokken…
Grappig
is ook de polariteit natuur en stad die in deze 2 figuren naar voren komt: Crown
is een wilde natuurmens, die leeft op een eiland en tijdens een orkaan Bess komt
halen. Sporting Life wil Bess meenemen naar ‘de stad der steden’: New York.
Het denken is ahw. het ‘stadsgebied’ in de mens, terwijl het wilde
wilsgebied ahw. het ‘natuurgebied’ in de mens is…
Porgy
is wellicht op te vatten als de ‘Middenfiguur’, de Christus- /
Waterman-figuur van het midden, misschien de ‘leeuwfiguur’, de man van het
hart, van het gevoel, van de echte, ware liefde. Bij Porgy vindt Bess de echte
(en onbaatzuchtige) liefde en geborgenheid die zij vanuit haar hart zoekt, zij
hebben samen nog een liefdesduet, waarin dat wordt bezongen.
Opmerkelijk is ook het feit dat Porgy invalide is.
Dat wijst op de ‘kruisigingsthematiek’. De thematiek van ‘het lijden’,
wat bij Christus hoort.
Porgy’s invalidewagentje wordt overigens
voorgetrokken door een geit. Indien Jezus werkelijk op 25 December is geboren is
hij met sterrenbeeld ‘Steenbok’ ook een soort ‘geit’… (de Steenbok is
immers een soort geit)
In de opera Don Giovanni van Mozart vindt men in de
hoofdpersoon Don Giovanni een typisch rebelse luciferische figuur (zit achter
alle dames aan…) terwijl het griezelige, tot leven gekomen standbeeld die (in
d klein met dreigende trombones) komt om de deugniet te straffen en naar de hel
te sturen een typisch ahrimanische verschijning is die angst inboezemt.
Strengheid, dogmatiek, zijn de typerende satanisch-saturnale eigenschappen…
Men
kan zeggen dat het genre van de griezelfilm typisch ahrimanisch is, aangezien
het spiritisme, spookverschijningen, de dood, kerkhoven etc. typisch
ahrimanische zaken zijn. Spiritisme en spookverschijningen wijzen op een naar
beneden, naar het aardse toe trekken van het geestelijke, en ook angst hangt met
Ahriman samen. De dood is ook het gebied van het ahrimanische.
De engelse creatie van Bram Stokers graaf Dracula is
ook een typisch ahrimanische figuur. Zoals hij ondersteboven (als een vleermuis)
in de film van Fr. F. Coppola aan het plafond van een kathedraalruine (Abdij)
hangt lijkt hij ook sprekend op de Ahriman zoals hij door Steiner is
gebeeldhouwd…
Ook
is Dracula een soort Schorpioen-figuur, een parasiet die vanuit een hinderlaag
zijn prooi besluipt…
Ook
het typisch amerikaanse Science Fiction is bij uitstek het gebied van het
ahrimanische. Een geheel vertechniseerde machinewereld is zijn droom, het liefst
als de mens ook zelf een soort Robot zou worden (zoals de Borg…)….
In de
oude serie Startrek is de heroische en altijd verliefde charmeur captain Kirk
wellicht als een meer luciferisch getinte heldenfiguur op te vatten, terwijl
mister Spock met zijn puntoortjes en zijn gevoelloze zucht naar logica een meer
ahrimanisch getint type is…
In Starwars is de meedogenloze, boze, angstaanjagende
Darth Vader een typisch zwarte, ahrimanische figuur. Hij is ook half machine.
Evenals bij de Borg is dat behoorlijk
ahrimanisch-angstaanjagend….
Door al deze voorbeelden te geven hoop ik dat de
lezer een enigszins levendig beeld van de polaire qualiteit van het luciferische
en ahrimanische karakter zal krijgen en inziet dat men het in bijna alles
aantreft…
Men
kan in bijna alle opera’s, films, romans, etc. een dergelijke archetypische
thematiek aantreffen, als men er oog voor heeft valt er veel te ontdekken op dat
terrein…
----------------------------------------------------------------
Men kan zeggen dat in de kunstgeschiedenis in de
afwisseling tussen verstand en gevoel, tussen ethos en pathos in de
verschillende kunstperiodes tendenzen naar voren komen waarvan men kan zeggen
dat de meer ahrimanische en meer luciferisch getinte periodes elkaar afwisselen.
Zo tendeerde de Renaissance meer naar het verstand, de ethos, de Barok tendeerde
meer naar gevoel (pathos, bombast, grootsheid etc.), de daarop volgende 18e
eeuw is weer de eeuw van het ‘Rationalisme’, terwijl in de 19e
eeuwse Romantiek weer sterk de nadruk lag op het gevoel. Barok en Romantiek
neigen dus meer naar het Luciferische element, terwijl de 18e en de
20e eeuw meer een rationalistisch, zakelijk en ook materialistisch
karakter laat zien. In de Barok en nog meer in de Romantiek is juist de neiging
naar het irrationele, naar mystiek, religie, in de Romantiek ook het
geheimzinnige, naar emotionele gevoelsexpressie duidelijk aanwezig.
De extremen worden steeds groter daarin.
In de late Romantiek van bv. Wagners ‘Tristan’
komt dat luciferische element wel sterk naar voren: Het eindeloze romantische
verlangen en wegdromen in fantasiewerelden van de eindeloos in een zelfzuchtig
zelfmedelijden kwijnende romanticus staat in schril contrast met de meer
zakelijk-nuchtere, ambachtelijke houding tav. het kunstenaarsschap van bv. een
Strawinsky en Hindemith, de zakelijke en ironische, soms sarcastische stijl van
Strawinsky, Prokofief, Poulenc, het constructivisme van de serialisten en
conceptuele kunstenaars etc.
Anderzijds kan men zeggen dat vanaf de Renaissance
het ahrimanische element in de cultuur steeds sterker werd, en ook in de 19e
eeuw vinden we dat. Dat was ook de rede van het ‘eeuwige lijden’ van de
Romanticus, de ‘Weltschmerz’, de rebelse en Luciferische Romanticus lijdt
aan de harde, gevoelloze, kleinburgerlijke, afgestompte bekrompenheid van de hem
niet begrijpende brave burger-man, de Droogstoppels, de Philisters, de ‘Pluizers’,
de ‘dokter Cijfers’, de zwarte ahrimanische benauwdheid van ‘het
Victoriaanse tijdperk’ wat in de boeken van Kafka tot een extreem wordt
opgevoerd. Hier wordt de wereld van het ahrimanische, de ambtenarij, de
‘mannen in het zwart’, de bureaucratie, de technocraten, (ambtenaar
‘Dorknoper’ met zijn ‘formulier in drievoud’…) etc. tot het extreme
opgevoerd waaraan de gevoelige en machteloze kunstenaar ten onder gaat. Het
conflict tussen het ahrimanische, de grauwe alledaagse wereld van de burgerman,
de bureaucratie, de ambtenaren, en de luciferische droomwereld van de
idealistische Romanticus was oorzaak van zijn ‘lijden’, zijn
‘Weltschmerz’, het ‘dort wo du nicht bist ist das Glück’, het verlangen
naar het onbereikbare geluk.
In
de 20e eeuw lijkt het ahrimanisch materialisme van ‘de nieuwe
zakelijkheid’ de hoofdstroom te worden in de kunst. Ook schoonheid telt dan op
een gegeven moment niet meer, alleen ‘het concept’, het idee, niet de
gevoelsexpressie, dat is ‘not done’, ouderwets, etc. Vooral de architectuur
valt ten offer aan ahrimanische tendensen en denkwijzen. Het
‘functionalisme’ zet de toon.
Het
luciferische element begint in de 20e eeuwse kunst van bv. het
Expressionisme, action painting etc. , een steeds extremere, ongezonde,
dierlijk-irrationele, wilde vorm aan te nemen…
Anderzijds
zet de luciferische romantiek zich ook nog voort in de uitvoeringspractijk van
het concertleven, opera, concert, en ook in de film met haar sterrencultus en de
vaak nog romantische inhoud, de ouderwetse romantische esthetiek.
Mogelijkerwijs zal de cultuur en kunst van de 21e eeuw misschien weer een
meer luciferische tendens gaan vertonen, maar daarbij misschien afzinken in het
dierlijke, in een soort wild super-expressionisme (asurische impuls ?…)…
ahrimanische tendens
luciferische tendens
16e eeuw:
17e eeuw:
Renaissance
(ethos, evenwicht) Barok
(pathos, Bombast, overdaad)
18e eeuw: 19e eeuw:
Klassicisme (rationalisme)
Romantiek (verlangen, passie)
20e eeuw: 21e eeuw:
Modernisme (zakelijkheid)
Super-expressionisme (???)
Over het algemeen leven we in de 19e en 20e
eeuw in een sterk ahrimanisch gekleurde wereld, wat zich op alle niveau’s van
het leven uit, in de kilheid van de mensen, de steriele architectuur, de
mechanisering van het leven, de overheersende materialistische opvattingen, de
industrielandschappen, de machine die zich steeds meer tussen de menselijke
ontmoeting gaat plaatsen (telefoon, computer etc.), in het onderwijs, in de
kunst, de media, etc.
Er kan een soort koude en kilheid van een ahrimanisch
getint persoon uitgaan, hij heeft de neiging alles te bespotten waarin gevoel of
liefde en waarin het spirituele doorklinkt. In de media en vooral de linkse
omroepen (VARA en VPRO) komt het ahrimanische karakter sterk naar voren in
satirische cabaret-programma’s zoals ‘Spijkerhoek’ (Jack Spijkerman met
zijn eindeloze aanvallen op Jomanda), ‘Van Kooten en de Bie’ (bv. hun
persiflage op Klazien uit Zalk) en zogenaamde wetenschappelijke programma’s,
die het gedachtengoed van de materialistische wetenschap propageren. De
stichting ‘Scepsis’ is natuurlijk een van de meest typerende cultuuruitingen
van Ahriman, met name de oerdomme, bevooroordeelde, bekrompen en kortzichtige,
kleinburgerlijke gochelaar Randy.
-------------------------------------
De
Asura’s (Rhakshasas)
Zoals de luciferische geesten op het astraallichaam
en de ahrimanische geesten op het etherlichaam inwerken, zo zullen de Asura’s
in de toekomst steeds meer en meer op het stoffelijk lichaam gaan inwerken en de
mensen proberen tot een soort ‘Ultramaterialisme’ te brengen, waardoor hij
zal degenereren en weer ‘als een dier zal gaan leven’, zoals Steiner
beschrijft. Dat wil zeggen: Niet alleen denken dat de mens een dier is, maar ook
als zodanig gaan leven.
Het
heeft te maken met vernietigingsdrang en nihilisme.
De mens zal ahw. in het ‘substoffelijke’, het
‘onderstoffelijke’ in de zwaarte worden getrokken wat tot vernietiging zal
lijden, ongeveer zoals bij hele zware metalen zoals uranium, plutonium die
‘vervallen’, uiteenvallen onder hun eigen gewicht, en vernietigingende
radio-actieve stralingen uitzenden…
Men kan wellicht bevroeden dat de Asura’s een
belangrijke invloed zullen uitoefenen bij de ‘strijd van allen tegen
allen’…
Wanneer
het IK in het stoffelijk lichaam incarneert wordt de ‘Bewustzijnsziel’
gevormd. De Asura’s zullen via het stoffelijk lichaam proberen invloed uit te
oefenen op de Bewustzijnsziel, en aangezien de mens in de Bewustzijnsziel zich
het meeste van zijn IK bewust wordt, en dit raakt aan de ‘eeuwige geest’ in
de mens, zullen ze proberen hier aan te grijpen om in dit
‘ultramaterialisme’ het IK zodanig naar beneden te trekken dat het zichzelf
vernietigt…
Dit
betekent dat de eigenlijke werking der Asura’s pas echt goed op gang kon of
kan komen in het Bewustzijnszieletijdperk, toen het IK zich in het fysieke
lichaam incarneerde en zich daardoor geheel op het stoffelijke ging richten…
In
eerste instantie moeten we ons voorstellen dat in deze tijd, na 1413, de
werkzaamheid van Ahriman alleen maar is versterkt, en de macht van het
materialisme nog groter, dieper en intenser is geworden. Het etherlichaam
verhardt zich, graaft zich nog dieper in in het stoffelijke lichaam en trekt het
IK daardoor ook mee het stoffelijke lichaam in.
Steiner voorspelt (zie boven) ook dat in het
Bewustzijnszieletijdperk, in het 3e milennium, een incarnatie van
Ahriman zal plaatsvinden. Sommige Antroposofen geloven zelfs dat deze incarnatie
voor de deur staat, zoals in het boekje ‘Korte vertelling van de Antichrist’
van Solovjov wordt verteld…
Tegelijkertijd bereiden de ahrimanische wezens met hun
invloeden de werkzaamheid der
Asura’s voor…
De
volkeren met de meeste affiniteit met de Bewustzijnsziel, de Engelsen en vooral
de Amerikanen, ook de Duitsers als ‘Ik-volk’, zijn wellicht de volkeren
waarbij al iets van de werkzaamheid der Azura’s is op te merken. Bij deze
vol-keren werd de atoombom ontwikkeld en gebruikt. Het Nazidom en de plutonische
Adolf Hitler en de 2e wereldoorlog laten hier al iets van zien.
De
opkomst van de psychopathische lustmoordenaar, de massamoordenaar (Ted Bundy, de
film ‘silence of the lambs’, de serie ‘Millenium’, ‘Profiler’,
‘Seven’ etc.) zijn daar al voorboden van. Michael Moore laat in zijn
bekroonde documentaire ‘Bowling for Colombine’ zien dat de inwoners van de
VS. door een combinatie van paranoia, wapenbezit en agressie al min of meer in
een toestand zijn gekomen waar iets van ‘de strijd van allen tegen allen’
zichtbaar wordt (schoolleerlingen die zonder aanleiding op school in het rond
gaan schieten en vervolgens zelfmoord plegen)…
Ook
de cultuur van plastische chirurgie, bodybuilding, de ‘lichaamscultuur’
wijst op de ultramaterialistische werking van de Asura’s, wat een karikatuur
is van de vorming van de ‘geestmens’, de transformatie van het stoffelijk
lichaam.
De
leeftijdsfasen waarbij de nadruk ligt op fisiek lichaam en bewustzijnsziel lijkt
de leeftijd te zijn waarbij de werkzaamheid van de Asura’s het meeste mogelijk
is… 0-7 jr. is de leeftijd waarbij sexueel misbruik van kleine kinderen
(pedofiele incest bv.) kan leiden tot ‘Ik-beschadiging’, waardoor zo iemand
bv. schizofreen wordt, een meervoudige persoonlijkheidsstoornis kan krijgen,
iemand met bv. vele ‘persoonlijkheden’, of hij kan daardoor zelf een
psychopathische lustmoordenaar worden. Ook kunnen hele kleine kinderen als ze
jaloers zijn (bv. door de geboorte van een klein broertje) hun broertje of
zusje, als ze de kans zouden krijgen, in koelen bloede mishandelen of zelfs
vermoorden…(‘the lord of the flies’)
De Bewustzijnszieleleeftijd: 35-42, ofwellicht ook
56-63 zou misschien een leeftijd kunnen zijn met een ontvankelijkheid voor
azurische invloeden…(?)
---------------------------------------
Overigens spreekt Steiner erover dat de etherische
krachten die ‘vervallen’ zich omvormen tot ‘onderstoffelijke krachten’.
Hij spreekt dan over de ‘Unternatur’, de ‘subnatuurkrachten’. dat zijn
de natuurkundige krachten van electriciteit, magnetisme (electromagnetisme) en
de ‘derde kracht’, wellicht de atoomkracht. De Luciferische wezens, die in
de astrale wereld leven hebben de lichtether tot electriciteit doen omvormen, ze
hebben daar een speciale affiniteit mee.
De ahrimanische wezens, die in het lagere devachan
leven hebben de chemische ether, de klank- ofwel getalsether doen omvormen tot (electro-)magnetisme.
De Azura’s, die in het hogere devachan leven,
zullen de levensether omvormen tot ‘verschrikkelijke vernietigingskrachten’,
zo voorspelde Steiner reeds enige tientallen jaren voor de uitvinding van de
atoombom. Deze ‘derde kracht’ (radio-actieve straling) komt inderdaad
tevoorschijn uit de zeer zware metalen, die zó zwaar zijn dat zij onder hun
eigen gewicht uiteenvallen. Hierin werkt dus het ‘ultra-materialisme’ van de
Asura’s, ofwel Rhakshasahs…
Opmerkelijk
is het dat electriciteit een energievorm is die verwantschap heeft met het vuur
en het licht, de Luciferische wezens zijn immers een soort vuurgeesten. (Lucifer
= licht, ofwel ‘lichtdrager’). Electriciteit is het ‘gevallen licht’.
Lichtether is de substantie van het licht wat de ogen binnenkomt zodat wij de
wereld kunnen zien. Elektriciteit is vervallen lichtether.
De
astrale wereld is de imaginatieve wereld die in beelden wordt waargenomen, en
die op etherisch niveau zijn equivalent heeft in lichtether. Lichtether is ook
de substantie die de mens gebruikt om in zijn innerlijk zijn voorstellingen te
creëren. (de substantie van onze dromen, de beelden van onze fantasie en onze
voorstellingen (wat later omgevormd wordt tot imaginatieve helderziendheid)
die de omringende wereld spiegelen met behulp van de hersenen)
De ‘gevallen lichtether’, electriciteit wordt in
de techniek gebruikt om ‘elec-trisch licht’ en beelden (dia, televisie,
film, bioscoop) te creëren, een soort aardse karikatuur van de imaginatieve
beelden. De luciferische wezens, die deze electricische krachten als hun aardse
aangrijpingspunt gebruiken, bewerkstelligen in de mens een verslaving aan
beelden, die gevoed wordt door de televisie, film, strips etc. Daarachter drukt
zich uit een verlangen naar ‘imaginatieve hel-derziendheid’, die diep
verborgen in de menselijke ziel leeft, en die zich omzet in haar
materialistische karikatuur zolang de mens doof blijft voor de stem van de
geest.
Het lagere devachan is de ‘wereldmuziek’, die
‘inspiratief’ wordt waargenomen.
Opmerkelijk is het nu dat muzikale klanken
tegelijkertijd getalsverhoudingen zijn: ‘Muziek is de wiskunde van de ziel’.
Steiner zegt nu dat de ethersoort samenhangend met water, de chemische ether,
die alle chemische verbindingen in het organisme bewerkstelligt, deze functie
bewerkstelligt doordat de kosmische wereldmuziek en haar getallenverhoudingen
dit naar deze ethersoort overbrengt, vandaar dat deze ethersoort ook klankether-
ofwel getalsether wordt genoemd. De klankether is de ethersoort die het geluid,
de klank naar ons gehoor overbrengt, (gedragen door ‘trillingen’) wat
tegelijkertijd allerlei getals-combinaties zijn. In deze sfeer werkt Ahriman,
vandaar dat het een wezen is dat samenhangt met ‘meten, wegen en tellen’…
De ahrimanische wezens hebben deze getalsether, chemische ether laten vervallen
tot magnetisme en wellicht electro-magnetisme, dat is het subnatuurgebied waarin
zij hun werkingen ontplooien.
Opmerkelijk
is het nu dat in de techniek de magnetische krachten noodzakelijk zijn voor het
creëren van geluid, voor tape, voor onze speakers etc.
In
de mens wordt door het ontstaan van deze technieken: Radio, pickup, CD.,
geluidsfilms, telefoon etc. een verslaving aan muziek en geluiden gecreëerd,
die in werkelijkheid een diep verborgen verlangen naar de inspiratieve
helderhorendheid compenseert, het is de materialistische karikatuur van het
inspiratief waarnemen van ‘de harmonie der sferen’.
Opmerkelijk
is het overigens dat ’s-nachts, als er weinig lichtether in de atmosfeer is,
de geluiden veel duidelijker klinken omdat dan de klankether veel meer aanwezig
is in de atmosfeer… Het is ook bekend dat geluid beter klinkt in een vochtige
atmosfeer, vandaar dat de mensen het liefste zingen onder de douche…. Overdag
lijken de geluiden (vooral met zonneschijn) te ‘verwaaien’.
Ook concerten klinken in de openlucht beter als het
donker is…(of op water !…)
In het hogere devachan werken de Asura’s. Op dit niveau neemt men waar
dmv. ‘intuitie’, dat wil zeggen de ‘geestesversmelting’ (de hogere
liefde).
Op
etherisch niveau vindt dat zijn equivalent in de levensether, de eigenlijke
levenskrachten, de krachten die samenhangen met de groei en de voortplanting.
Deze krachten staan ook direct in verband met de voortplanting van planten,
die-ren en mensen, en dus ook met de geslachtsdaad. De geslachtsdaad is een
aardse afspiegeling van de ‘geestesversmelting’, de ‘intuitie’.
De Asura’s, bewerkstelligen of zullen in de
toekomst in toenemende mate bewerkstelligen, een verslaving aan de aardse
afspiegeling van de intuitie, aan sexualiteit, aan de voortplantingsdaad, echter
losgemaakt van de liefde. Dat zal een verslaving aan pornografie, sexuele
perversiteiten, SM., virtuele sex, promiscuiteit, wellust, sexuele kicks, etc.
bewerkstelligen, die in de toekomst steeds grotere en excessieve vormen aan zal
nemen. Steiner spreekt erover dat de mensen dan ahw. ‘als dieren’ zullen
gaan leven, en elkaar alleen nog als een lichaam zullen gaan zien ter
bevrediging van de eigen lusten. Dat is een vorm van ‘ultra-materialisme’
waardoor de mens in de afgrond van het boze en anti-christelijke, de antiliefde
terecht kan komen. We ziepathen, die al moordend en martelend door de landen
trekken. De antivorm van liefde is haat. Wie hierin terechtkomt is vervuld van
haat en vernietigingswoede
tav. de medemens, hij is een cynische nihilist, een
echte antichrist. We zouden ons kunnen voorstellen dat deze invloed tenslotte
zou kunnen leiden tot wat Steiner aanduidt als ‘de strijd van allen tegen
allen’.
Op
natuurkundig Unternaturniveau vindt deze kracht zijn equivalent in de
radio-activiteit, in plutonium, de kernenergie en de atoombom.
Steiner spreekt erover dat de luciferische zondeval
plaatsvond tijdens het oude Lemurië, dat een herhaling was van de oude
Maan-evolutie.
In deze fase ontwikkelde de mens zijn astraallichaam,
wat de luciferische geesten infecteerden met begeerte.
De ahrimanische zondeval vond plaats tijdens de
atlantische evolutie, en wel tijdens het 4e ras van de Oer-toeraniërs
in het Schorpioentijdperk.
Tijdens de atlantische evolutie ontving de mensheid
het IK, en het accent van de ontwikkeling lag in die tijd op de ontwikkeling van
het geheugen en de omgang met de etherische krachten in de natuur (en in
zichzelf). In die tijd was ‘toveren’ normaal. Ook het geheugen vindt zijn
aangrijpingspunt in het etherlichaam, wat immers de opslagplaats is van het
geheugen… De ahrimanische wezens werkten op de mens in vanuit het etherische
lichaam, waar in die tijd de nadruk van de ontwikkeling op lag. De zwarte magie,
het misbruik maken van de macht over de etherische wereld wat bij de Oer-toeraniërs
een probleem werd was mogelijk dankzij de ahrimanische invloed in de etherische
wereld.
Men kan zich voorstellen dat in de Na-atlantische
tijd de ‘Asurische zondeval’ plaats zal vinden, aangezien de mens van dit
tijdperk vanuit de denkkracht voor-al met de stoffelijke wereld zich uiteen moet
zetten, en techniek zou ontwikkelen ed. De Asurische wezens beïnvloeden vanuit
hun onvolkomen ontwikkelde ‘geestmens’ het fysieke lichaam en de
Bewustzijnsziel van de mens.
Men kan zich nu misschien voorstellen dat het
ontwikkelen van het geestzelf, de loutering en vergeestelijking van het
astraallichaam, tegelijkertijd een overwinning betekent op de invloed van
Lucifer op ons astraallichaam. Een overwinning op de egoistische begeerte
waarmee Lucifer ons astraallichaam en de gewaarwordingsziel heeft geinfecteerd.
Het geestzelf / manas wordt daardoor ook een waarnemingsorgaan om de geestelijke
wereld imaginatief te aanschouwen.
Het
(gedeeltelijk) ontwikkelen van de levensgeest, de transformatie van het
etherlichaam betekent tegelijkertijd een overwinning op de invloed van Ahriman
op ons etherlichaam en de Verstandsziel. Het betekent een overwinning van de
angst en de verstening en verstarring die ahriman in ons etherlichaam heeft
bewerkstelligd. De Levensgeest ofwel Boeddhi wordt dan een waarnemingsorgaan om
de wereldmuziek van het lagere Devachan inspiratief mee te beleven.
Het
gedeeltelijk ontwikkelen van de Geestmens, betekent tegelijkertijd een
(gedeeltelijke) overwinning op de invloed van de Asura’s op ons stoffelijk
lichaam, de Bewustzijnsziel en onze Atman. De haat en vernietigingsdrang, de
dierlijke wildheid waarmee de Asura’s ons proberen te infecteren worden
daarmee overwonnen. De (gedeeltelijke) omvorming van het stoffelijke lichaam tot
Atman wordt daardoor ook een waarnemingsorgaan om met de wezens uit het hogere
devachan (en de medemens) liefdevol intuitief te versmelten, één te worden.
---------------------------------
Karma
en reïncarnatie
Hieronder wilde ik nog enige dingen zeggen over Karma en reïncarnatie.
Uit de voorgaande hoofdstukken zal wellicht afdoende duidelijk zijn geworden dat de mensheid zich geestelijk evolueert, en dat de mens daar vele levens, cq. incarnaties voor nodig heeft, om bv. zich te evolueren van Gewaarwordingsziel, naar Verstandsziel, naar Bewustzijnsziel, en in de toekomst naar de kiem van het geestzelf etc.
Tijdens ieder cultuurtijdperk, waarbij die verschillende wezensdelen ontplooid kunnen worden, moet de mens dus een of meerdere incarnaties doormaken, ook het liefst zowel als man en als vrouw.
Het karma, de lotsbeschikking, is een ingewikkelde zaak waarover Steiner 6 voordrachtencycli apart heeft gewijd aan het eind van zijn leven, met vele voorbeelden en wetmatigheden.
Ook in ‘Geheimwissenschaft’ en ‘Theosofie’ besteedt Steiner aandacht aan Karma en reïncarnatie, en bij ontelbare andere gelegenheden.
Karma en reïncarnatie is een van de meest essentieële onderwerpen uit de Antroposofie.
Steiner heeft er daarom ook zoveel aandacht aan besteed om te voorkomen dat er omtrent dit onderwerp al te makkelijke en materialistische ideeën de ronde zouden gaan doen. Men moet zich namelijk niet voorstellen dat dezelfde ‘persoonlijkheid’ reïncarneert, dezelfde ‘ziel’. De aardse persoonlijkheid, de ziel met al zijn karaktereigenschappen en persoonlijke herinneringen en hebbelijkheden legt de mens na zijn dood af. Alleen al het feit dat men in een geheel ander lichaam, een ander geslacht, een ander volk of ras, een andere cultuur kan incarneren wijst er al op dat men zich niet moet voorstellen dat men in het volgende leven dezelfde ‘persoonlijkheid’ of hetzelfde karakter zal hebben…
Zo zou bv. de heetgebakerde Arabier Ahmed, fanatiek moslim, een geilaard met 20 vrouwen, liefhebber van paardrijden en zwaardvechten, een sportieveling met een hekel aan lezen en studeren, een aantrekkelijke rubuuste kerel uit de 17e eeuw best wel eens in zijn volgende leven kunnen incarneren in een streng anglicaanse, stijve en preutse 19e eeuwse engelse dame, met als hobby het lezen van romans en boeken over botanie en tuinarchitectuur, met een flegmatisch en saai, zakelijk karakter, liefhebber van theevisites (teatime!) en breien en handwerk. Ook is het mogelijk dat de geest van een geleerde in het lichaam van een mongool of een debiel incarneert.
Alleen al vanwege de reïncarnatieleer is discriminatie of rasisme iets onzinnigs. Hitler of Goebbels zouden in hun volgende leven goed kunnen incarneren in het lichaam van een Jood of een swingende en rappende neger uit de slums van New York.
Bij het karma kijken de goden en je eigen hogere IK (geest) ernaar welke leerervaringen je het beste kan opdoen in het volgende leven. Men kan ook (onbewust) kiezen voor een zwaar lot, wat op den duur echter weer een gunstig effect op de ontwikkeling van de persoonlijkheid zou kunnen hebben. Het karma biedt dan ook kansen, maar het is niet gezegd dat men de geboden kansen aangrijpt. Op aarde heeft men nu eenmaal tot op zekere hoogte een zekere vrijheid om te kiezen, ook om te kiezen tussen goed en kwaad, en ook het dwalen in de duisternis is een leermogelijkheid.
Niet al het karma wordt vanuit het verleden bepaald, men kan ook ‘nieuw karma’ creëren. Dit heeft dan echter weer gevolgen voor de toekomst. Ook is het mogelijk dat volkskarma of tijdgeestkarma (bv. oorlog, natuurrampen, etc.) het persoonlijk karma doorkruist. Een jong beloftevol leven kan door een bom, een veldslag of een aardbeving worden doorkruist, maar dit wordt dan in het toekomstige leven weer goed gemaakt, waarbij iemand dan met extra veel talenten en vitale krachten kan zijn behept…
Er is een ingewikkeld mengsel in het weefgetouw van de lotsverbindingen van persoonlijk karma, volkskarma, tijdgeestkarma etc.
Het kan voor iemands karma goed zijn om een leven door te maken in een bepaalde cultuur, in een bepaald volk, in een bepaald tijdperk, en daar voor die tijd kenmerkende gebeurtenissen mee te maken, zoals bv. de franse revolutie of de veldslagen van Napoleon etc.
De bedoeling is het om een steeds beter, bewuster, alomontwikkeld, veelzijdig, universeel begrijpend, wijs en liefdevol mens te worden.
Bv. een geleerde monnik uit de Middeleeuwen die een leven al biddend en schrijvend in een cel doorbracht heeft in dat leven misschien wel veel wijsheid en innerlijke verdieping ontwikkeld, maar weinig sociale vaardigheden. Hij zou
zich bv. kunnen incarneren in het lichaam van een mongool, die door zijn erfelijke aanleg niet anders kan dan een liefdevol, extravert, sociaal wezen zijn.
Dit is een van de redenen dat er veel antroposofische instituten voor geestelijk gehandicapten zijn, omdat men er daar van uit gaat, dat de lichamen, en daardoor ook de zielen van deze mensen beperkt worden in hun intellectuele ontplooiing, maar dat de geest, het hogere IK dat hierin huist misschien wel een hoogstaande geest is, die het voor zijn ontwikkeling (karma) nodig heeft om zo een incarnatie door te maken. In de Antroposofie spreekt men er dan over dat het het lichaam is (en de wijze waarop de ziel erin kan functioneren) dat gehandicapt is, maar dat deze slechts de omhulling is van de geest, en dat de essentie van de mens de geest is. Daarom kan men de mens nooit beoordelen op zijn ‘omhullingen’, men dient zich liefdevol te richten op de ‘geest’.
Dit staat in schril contrast met de Nazi’s, die geestelijk gehandicapten, als zijnde ‘Untermenschen’ lieten vergassen, omdat voor hen, in hun materialistische, alleen maar op het lichaam en het ‘ras’ gerichte levensbeschouwing, de mens alleen maar wordt beoordeeld naar zijn ras en zijn lichaam. In de Antroposofie is juist het spirituele aspect van de mens, zijn ‘godsvonk’ het essentiëel ‘menselijke’, waarmee alle mensen op aarde behept zijn, zowel Duitsers als Joden, Debielen, negers, Imbecielen, Aboriginals, autisten, Indianen als Chinezen.
En Christus heeft al deze mensen, van wat voor godsdienst, ras, intelligentieniveau, handicap of volk ze ook zijn gelijkelijk lief.
Wanneer mensen tijdens hun leven anderen slecht hebben behandeld zullen ze daarmee een karmische schuld op zich laden, die op een of andere wijze, ofwel in dit leven, ofwel in een volgend leven op een geheel andere wijze zal moeten worden vereffend.
Na de dood vindt een algehele transformatie van de ziel plaats. Tekortkomingen zullen zich in het volgende leven op een geheel andere wijze uiten. Datgene wat eerst alleen in de ziel leefde zal dan lichamelijk worden en vise versa. Datgene wat in het vorige leven het hoofd was vormt zich qua aanleg om tot de benen en vise versa. Bepaalde tekortkomingen in de ziel vormen zich om tot lichamelijke tekortkomingen, of tot aanleg voor bepaalde ziekten, die door deze door te maken de gevolgen van deze tekortkoming vereffenen. Dat hangt bv. samen met de Mercuriussfeer waar de ziel na de dood doorheen gaat. Daarom hangt Mercurius met de geneeskunst samen: Na de dood worden in de Mercurius-sfeer de karmische gevolgen van het doormaken van deze ziekten ahw. door de aldaar levende geesten opgenomen en vereffend.
Vanuit de samenhang tussen het hoofd met denken en verleden, en de benen met willen en de toekomst kan men zeggen dat de mens in zijn daden (willen-doen-ledematen) dingen creëert die naar de toekomst doorwerken en die zich zullen uitdrukken in zijn toekomstige karma en zielegesteldheid, met name ook in zijn denken.
Andersom zegt de wijze waarop iemand denkt (hoofd, verleden) iets over het verleden van de vorige incarnatie, daarin drukt zich iets uit van de daden (willen-doen-ledematen) van zijn vorige incarnatie.
Nauw samenhangend met het karma zijn de verschillende planeten- en dieren-riemsferen waar de ziel na de dood en voor de nieuwe geboorte doorheen gaat.
Iemand die sterk spraakbegaafd is heeft bv. iets meegenomen uit de marssfeer, iemand die zich tot een groot denker ontwikkeld heeft, heeft iets meegenomen uit de Jupitersfeer, iemand met een goed geheugen uit de Saturnussfeer, iemand met een groot talent voor de liefde en voor kunst uit de Venussfeer, muzikaliteit stamt uit de zonnesfeer, etc. Dit komt dan tot uitdrukking in de geboortehoroscoop waarin men afgedrukt ziet wat de mensenziel voor zijn geboorte uit deze sferen heeft meegenomen aan talenten en karaktertrekken etc.
Ook het moment van het sterven geldt als belangrijk, in de horoscoop van het stervensmoment zou men kunnen zien wat voor karmische mogelijkheden de mens in zijn volgende leven zou hebben…
Na de dood laat men zijn etherische- en astrale lichaam los, zodat men zich veelal niet het vorige leven kan herinneren, want het etherlichaam is de opslagplaats van het geheugen. Men neemt alleen een soort ‘essentie’, de ‘vrucht’ van het oude leven mee naar de hogere niveau’s van de geestelijke wereld. De kennis van deze vorige levens is alleen maar toegankelijk voor ingewijden.
Vaak vragen mensen zich af waarom men zich meestal niets van dit vorige leven kan herinneren. De rede hiervan is hierboven beantwoord, maar men kan ook wel inzien dat het voor dit leven zeer storend zou zijn indien men zijn vorige levens zou herinneren. De oude Grieken spraken over de rivier de Lethe, wie deze overstak vergat zijn oude leven. De herinnering hieraan wordt uitgewist, en dat is een zegen, want stelt u zich voor dat je in je vorige incarnatie de meest afschuwelijke en traumatiserende dingen hebt meegemaakt, je bent bv. gemarteld, verkracht, je bent levend gevild, gespiesd, gevierendeeld, verbrand, vergasd, levend geroosterd, in de kokende olie gegooid, doodgemarteld, je bent in de spijkerton door de stad gerold, je bent voor de leeuwen geworpen, door keizer Nero als levende toorts gebruikt, je bent verkracht, gemarteld en langzaam vermoord door een lustmoordenaar of je bent 50 jaar lang opgesloten geweest in een hok (de gruwelijke fantasie waarmee sadisten mensen kunnen martelen en afmaken is oneindig, zie de Sade). Het zou toch niet zo prettig zijn als je je dat allemaal zou herinneren. In dat geval is vergetelheid en een frisse, nieuwe start een weldaad. Hetzelfde geldt echter voor het tegenovergestelde: Stel, je was zelf zo een zware crimineel die gewetenloze moorden heeft gepleegd… Ook dat wil je liever niet weten. Maar ook van het feit dat je een saai, lullig, onbeduidend, nietszeggend leventje als kantoorklerk had word je niet echt gelukkig, we kunnen immers niet allemaal Cleopatra of Alexander de Grote zijn, Bach of Rembrand, Goethe of Einstein… Maar de vraag is het ook, of je het wel zou willen weten dat je in je vorige leven Rembrand was, en in dit leven een middelmatig getalenteerde zondagsschilder in een ‘uitrust-incarnatie’….
Storende herinneringen aan de vorige incarnatie(s) kunnen de mens afhouden van de taken die hem voor dit leven staan te wachten.
Vaak vragen mensen zich af wat voor zin de incarnatie van een baby heeft, die kort na de geboorte sterft, in het kraambed, of na een paar weken of maanden, zoals vroeger zoveel gebeurde, en tegenwoordig ook nog zoveel in derde-wereld-landen.
Ook deze korte incarnaties hebben hun karmische betekenis, men zou zich bv. het volgende kunnen bedenken: Misschien heeft iemand in zijn vorige incarnatie een wel zo verschrikkelijk lot ondergaan (zie boven bij martelingen, verkrachtingen, executies, etc.) dat deze ervaring wel zó overweldigend is, dat het niet genoeg is om in het leven na de dood de pijnlijke herinneringen af te spoelen, het zou in het volgende leven op een destructieve wijze kunnen doorwerken, de herinnering zou steeds als een schok uit het onderbewustzijn weer omhoogkomen, voor zo iemand zou het bv. een weldaad kunnen zijn om een of meerdere keren als baby in het kraambed te sterven (in de armen van de moeder of bv. aan een vredige wiegedood) zodat hierdoor (het iedere keer opnieuw weer opnieuw moeten aannemen van een nieuw ether- en astraallichaam) de herinneringen aan deze verschrikkelijke ervaringen uit deze incarnatie nu echt door deze korte tussenincarnaties grondig kunnen worden ‘afgespoeld’….
Overigens is reïncarnatie de enige bevredigende verklaring voor deze korte en schijnbaar zinloze leventjes, want deze zielen zullen dan later immers weer een ‘echte’ kans krijgen op een wat langer leven waarin zij het een en ander kunnen doormaken en leren.
Overigens is het doel van het leven niet om ‘gelukkig te worden’. Van geluk leert men weinig, natuurlijk, het is prettig, als het ons overkomt nemen we het graag tot ons, maar als we volgens Steiner naar het gelaat van een wijsgeer kijken zien we in zijn blik ‘getransformeerd leed’. Van het leed kunnen we leren en geestelijk evolueren, maar we moeten er niet in zelfbeklag bij stil blijven staan, men moet het transformeren tot wijsheid.
In aansluiting hieraan kan ik u aanraden het boekje van Sergey Prokofief te lezen: ‘De betekenis van de vergeving’.
De 4 mysteriedrama’s van Steiner, die hij tussen 1910 en 1913 schreef, zijn eigenlijk toneelstukken waarbij hij het karma van mensen en groepen mensen beschrijft. Er komen ook visionaire terugblikken op vorige incarnaties voor, bv. in de Middeleeuwen of in het Oude Egypte. In deze toneelstukken heeft hij willen laten zien hoe karma werkt. Voor wie meer wil weten over karma en reïncarnatie zou het bestuderen van deze mysteriedrama’s ook interessant kunnen zijn.
Op dit moment is het zo dat het karma diep in het onderbewustzijn van ons lichaam, ons wilsgebied besloten ligt. Alleen de ingewijde kan toegang tot dit duistere en onbekende gebied verkrijgen. Voor gewone mensen is het inderdaad zo dat het ‘program’ van ‘het concert des levens’ onbekend is.
Er zijn echter middelen om daar toegang toe te krijgen. Dat gebeurt wanneer de mens ervoor kiest de inwijdingsweg te willen gaan. Wanneer de mens de inwijdingsweg gaat en zijn helderziende vermogens gaat ontwikkelen, die samenhangen met de in ons sluimerende geestelijke wezensdelen, ons ‘hoger IK’, dan kan de mens ook zelf de ‘baas’ over zijn eigen leven worden, dan kan men leren zelf zijn eigen karma te sturen. Dat kan men echter alleen maar vanuit een absolute onbaatzuchtige en bovenpersoonlijke wijsheid, de wijsheid van het goddelijke dat in ons leeft en dat direct verbonden is met het Christuswezen, dat ‘de heer van het karma’ is.
Dit werpt
misschien een verhelderend licht op het gegeven dat van Christus wordt gezegd
dat hij ‘de zonden der wereld op zich nam’. Het Christuswezen draagt het
karma met ons mee, na onze dood aanschouwen we Christus als onze liefdevolle
vriend en begeleider, en samen met hem kijken we naar ons levenspanorama, waarin
we ons karma in één groot tableau (schilderij) aanschouwen. We zullen dan
meteen doorzien wat de vruchten van ons leven zijn, wat we van ons leven, ons
karma gemaakt hebben. Doordat we samen met Christus naar ons afgelopen leven
kijken voelen we ons na onze dood ahw. door hem veilig gedragen, we ervaren hem
als onze beschermer en begeleider. In die zin neemt Christus ons karma op zich
(met zijn ‘zonden’). In het boek van Ritchie (‘Return from tomorrow’)
wordt dit op indrukwekkende wijze beschreven., maar ook in zo vele andere boeken
over ‘bijna-dood-ervaringen’…
-----------------------------------------------------
De
geestelijke scholing
Men kan zeggen dat het erop neer komt dat de mens in de huidige fase van de evolutie op een punt is gekomen, dat hij van de goden alles gekregen heeft aan innerlijke verworvenheden, zijn wezensdelen, zijn zielekrachten, zijn denkvermogen, zijn geheugen, etc. wat er te krijgen valt.
Hij
is tot op zekere hoogte ‘volwassen’ geworden, en op een punt gekomen dat hij
zijn eigen verantwoordelijkheid over zijn leven kan nemen.
In
de toekomst zal de mens zijn geestelijke wezensdelen gaan ontwikkelen, en hij
zal in de toekomst weer helderziend etc. worden.
De
mens die zichzelf rijp acht om weer op hernieuwde wijze toegang te willen vinden
tot de geestelijke wereld kan proberen om door oefeningen deze vermogens bij
zichzelf te ontplooien.
Steiner geeft hiervoor allerlei oefeningen waarover
eerder al enige dingen zijn gezegd.
Rudolf Steiner stelt uitdrukkelijk dat de leerling van de geestesscholing op iedere stap die hij zet in de meditatie, hij drie stappen dient te zetten op de weg naar de veredeling van zijn karakter.
Bij
de bespreking van het drieledig mensbeeld is gesproken over het verschil tussen
ziel en geest. Aangezien het er bij de geestesscholing om gaat om de ziel te
veredelen en te reinigen, te louteren, en de eerste kiem van de geestelijke
wezensdelen tot ontwaken te brengen zal het duidelijk zijn dat de leerling moet
proberen zijn ziel zodanig te reinigen van egoisme, egocentrisme, kortom, de
luciferische ‘afzonderingsinvloeden’ dat alle vormen van antipathie, haat,
hoogmoed, walging en aversie, negativiteit, zelfzucht etc. dienen te worden
omgevormd tot sympatie, liefde, deemoed, verering, positiviteit en
bescheidenheid.
Men dient te streven naar openheid, onbevangenheid,
etc.
In dit kader hebben we het al gehad over de
Goetheanistische fenomenologie. Het exacte waarnemen, zonder het ‘ik vind’,
het onbevangen, open inleven in de fenomenen om ons heen dient te worden
beoefend.
In
het astraallichaam dient men de luciferische begeerten, en de luciferische
zelfzucht te overwinnen. Wanneer men zich oefent in het zich liefdevol inleven
in de wereld om zich heen ipv. het hoogmoedig be- en veroordelen van de wereld,
met het gevoel van: Ik weet alles beter, ik kan alles beter, ik ben beter, wat
zijn de mensen toch dom, werkt men aan de transformatie van dit astraallichaam
zodat iets van de eerste kiem van het geestzelf tot ontplooiing kan komen.
In de
meditaties geeft Steiner een heel aantal concentratie- en
voorstellingsoefeningen, die zeer veel inspanning van het denkvermogen vereisen.
Men kan daarbij zich het volgende denken: Het voorstellingsvermogen, de beelden
die men innerlijk ziet als men droomt, fantaseert, zich iets voorstelt, hebben
lichtether als substantie, wat men zich natuurlijk bewust wordt in het
astraallichaam. Datgene wat men daar ziet zijn natuurlijk subjectieve projecties
vanuit het innerlijk, alhoewel de substantie van deze beelden wel geestelijk is
(lichtether en astraliteit). De bedoeling is het, dat door de scholingsweg deze
aanvankelijk subjectieve beelden zich omvormen tot de objectieve beelden van de
imaginatieve helderziendheid. Men leert dan de etherische- en astrale wereld te
aanschouwen.
Het
ontwikkelen van de inspiratieve helderhorendheid berust op het gedeeltelijk
omvormen van het etherlichaam tot levensgeest. Men dient daartoe met zijn
bewustzijn ahw. binnen te dringen in de levensprocessen van het etherlichaam, en
daar de werking van de ahrimanische wezens te overwinnen. Het gaat dan om
eigenschappen zoals angst, verharding, verstarring. Het etherlichaam wordt dan
weer speels en beweeglijk. Rudolf Steiner spreekt dan in verband hiermee over
het ‘levende denken’ dat het ‘dode denken’ van het ahrimanisch
materialisme dient te overwinnen. Men oefent dat ook door zich in te leven in de
groei- en levensprocessen in de plant, zodat men de plant niet meer ziet als
bestaande uit allerlei losse onderdelen en chemische verbindingen, maar als een
groeiend, le-vend, bewegend, metamorfoserend wezen, precies zoals Goethe had
gedaan in zijn zoektocht naar de ‘oerplant’ en zijn ‘metamorphose der
planten’. Dit innerlijk beweeglijk worden hangt sterk samen met de kunstvorm
de eurithmie.
Het
ontwikkelen van intuïtieve heldervoelendheid (het geestelijk versmelten met een
ander geestelijk wezen) berust op het gedeeltelijk omvormen van het stoffelijke
lichaam tot geestmens. Dit hangt samen met een totale transformatie van de mens,
tot in de diepste lagen van zijn onbewuste wil. Het heeft te maken met de
vorming van idealen, en met moraliteit, met het ontwikkelen van de hoogste vorm
van liefde. (inlevingsvermogen)
Rudolf
Steiner beschrijft dat de waarnemingsorganen voor de geestelijke wereld de zg.
‘lotusbloemen’ zijn (chakra’s) die zich op dit moment nog in een slapende
toestand in het astraallichaam bevinden. Deze zien eruit als een soort bloemen
met een aantal bladeren. Deze bevinden zich op de plekken van het lichaam waar
zij met de hormonen verbonden zijn, zoals de kruin, het voorhoofd, de keel, het
hart, de zonnevlecht, de buik, het geslacht en het stuitje.
Wanneer deze lotusbloemen ‘ontwaken’ gaan zij ahw.
draaien. Rudolf Steiner heeft op het beeld van de mensheidsrepresentant deze
lotusbloemen in draaiende, ‘bloeiende vorm’ ook gebeeldhouwd, op zijn
voorhoofd en zijn hart.
Ieder
van deze lotusbloemen heeft ook een aparte functie wat in het boek ‘Hoe
verkrijgt men bewustzijn op hogere gebieden’ exact wordt beschreven.
In
het schilderij ‘Evolutie’ van Mondriaan in het Haagse Gemeentemuseum kan men
dat ook zien. Rond 1900 was men in de symbolistische schilderkunst ook
gefascineerd door het thema van de bloem. Volgens Steiner dient de ziel van de
mens ook een soort bloem te worden die zich vol liefde opent naar het hogere.
Men kan dit ook vergelijken met de graal: Een beker die het bloed van Christus
opvangt. Wie het pad van de geestesscholing betreedt, diens ziel wordt als een
graalsschaal, die open staat voor het hogere, hij wordt als een schaal die de
hogere wereld in zijn ziel wil ontvangen, die wordt als een schaal die het bloed
(de geestelijke Ik-substantie) van Christus in zijn ziel wil opvangen, en dan
kan men erover spreken dat men een ‘Christusdrager’ wordt, of zoals door
Paulus gezegd wordt: ‘Niet IK, maar de Christus in mij’. Bij wie het hogere
Ik tot ontwaken komt, bij hem ontwaakt de Godsvonk, de Christusvonk, het
goddelijke IKvuur.
In
de mythische beelden van sprookjes en sagen komen we ook de gegevenheden van de
geestelijke scholingsweg, de inwijdingsweg tegen.
Rudolf
Steiner spreekt er ook over dat in iedere ziel, in zijn onderbewuste zijn
‘dubbelganger’, ofwel ‘de wachter op de drempel’ leeft. Dit is een
demonisch wezen dat zich voedt met alle negativiteit van de ziel (deze
negativiteit bewerkstelligt ook alle van binnen uit komende ziekten, denk
daarbij bv. aan ‘Je leven helen’ van Louise Hay; ook voedt de dubbelganger
zich met electro-magnetische krachten). Het gaan van de scholingsweg betekent
ook de ontmoeting en overwinning van de dubbelganger.
In de symboliek van sprookjes en sagen vinden we dit als het beeld van de
slang, de draak die de held op weg naar de toren of de rots (van Siegfried) waar
de jonkvrouw (beeld van de hemelse ziel) ligt te slapen die hij wil bevrijden,
moet verslaan. De ontmoeting met zichzelf, het ‘lagere zelf’, de
dubbelganger, is een zeer pijnlijke en afschrikwekkende ervaring. Daarom dient
de leerling van de geestesscholing eerst tot volledige en meedogenloze
zelfkennis te komen voor hij de drempel van de geesteswereld betreedt. Bij de
tempel van Apollo stond te lezen: ‘Ken uzelve’ en ‘Niets in overdaad’.
Dit zijn de voorwaarden voor het overschrijden van de drempel van de
geesteswereld. Zelfkennis en innerlijke evenwicht en harmonie. Men dient een
‘zonnemens’ (een Apollomens) te worden. Indien men geen echte zelfkennis
heeft dan is de ontmoeting met de dubbelganger, de innerlijke draak een
onverdraaglijke ervaring waarvan de niet goed voorbereidde ziel zelfs
krankzinnig kan worden. Men spreekt er dan over dat de ridder door de ‘draak
wordt verslonden’. Men kan stellen dat de inrichtingen vol zitten met mensen
die op onverantwoorde en onvoorbereide wijze de drempel van de geestelijke
wereld hebben overschreden, en daarbij zijn ‘verslonden’ door hun
‘draak’…
Wie echter zelfkennis heeft (ken uzelve) en ook nog
zijn ziel heeft veredeld (niets in overdaad) kan wellicht de aanblik van zijn
dubbelganger verdragen, en de draak overwinnen. De rede waarom de mens eerst
deze dubbelganger dient te aanschouwen vooraleer hij de geestelijke wereld met
zijn bewustzijn betreedt is hierin gelegen dat de ongeoefende ziel aanvankelijk
een geheel nieuw land betreedt en niet in staat is onderscheid te maken en
verschil te zien tussen zijn fantasie, zijn angstprojecties, en wat er werkelijk
objectief in de geestelijke wereld buiten hem is. Wanneer hij de geesteswereld
aanschouwt moet hij er zich voortdurend van bewust zijn wat er in hem zelf
leeft, en dit voortdurend in de gaten houden. Zelfkennis is nodig om de
dubbelganger te leren kennen, zodat men onderscheid kan maken tussen illusie,
projectie etc. wat door de dubbelganger wordt gecreëerd, en de geestelijke
realiteit.
Wanneer
de held de draak heeft verslagen bestijgt hij de toren waar de jonkvrouw, de
hemelse ziel, ligt te slapen (Doornroosje of Brünhilde op de rots). Hij kust
haar, zij ontwaakt en hij verenigt zich met haar.
Dit
symboliseert het goddelijke IK van de mens, het geestzelf (en de nog slapende
lotusbloemen die moeten worden geactiveerd) die door de inwijding tot ontwaken
komt (komen), en die al die tijd er al was (waren), maar erop gewacht heeft
(hebben) tot de ziel, de prins die alle beproevingen heeft moeten ondergaan,
rijp genoeg was om de toren te beklimmen en de ‘slapende jonkvrouw’ wakker
te kussen….
De aardse ziel, de prins, verbindt zich dan met de
hemelse ziel, de jonkvrouw.
Christian Rosenkreuz beschrijft dit bv. ook in zijn
boek ‘De geestelijke bruiloft’. De aardse ziel, de prins trouwt met de
hemelse ziel, de jonkvrouw.
Men kan ook zeggen: de ziel verbindt zich met de
geest in de mens.
Men
vindt dat thema in vele sprookjes terug, zoals ook bv. Hans en Grietje: De
aardse ziel, Hans, wordt door de heks (dubbelganger, Lucifer en Ahriman)
vetgemest (onze huidige materialistische cultuur) met als bedoeling om hem op te
eten (Lucifer en ahriman willen ziel en lichaam in hun macht hebben). Grietje
moet hard werken en verkommert (de hemelse ziel wordt genegeerd in onze
materialistische cultuur) maar weet door een list de heks te verslaan. Het
heksenhuisje van snoepgoed zijn ook alle verleidingen van onze materialistische
genotscultuur waardoor de mensenziel steeds meer in de macht van Ahriman en
Lucifer komt.
Opmerkelijk
is de overeenkomst in de naam van Grietje en Gretchen uit Faust.
Ook Gretchen symboliseert Faust’s hemelse ziel
(zoals Mephisto zijn dubbelganger, zijn schaduw symboliseert). Eigenlijk was
Faust op zoek naar zijn eigen hemelse ziel, maar in de schoonheid en
lieflijkheid van een aards meisje zag hij een materiële afspiegeling van de
hemelse ziel. Toen Gretchen dood was ging hij op zoek naar Helena, in de 'Klassische
Walpurgisnacht' evenzeer het beeld van zijn eigen hemelse ziel. (hun kind was
‘Euphorion’, de euphorie, de vreugdesextase)
Als Faust is gestorven wacht Gretchen hem op in de geestelijke wereld, evenzoals Beatrice aldaar op Dante wacht. De slotwoorden van Faust (Chorus mysticus) duiden daar ook al op: (Faust is dan in de geestelijke wereld)
‘Alles Vergängliche, Ist nur ein Gleichnis;
Das Unzulängliche, Hier wird’s Erreichnis;
Das Unbeschreibliche, Hier ists getan;
Das Ewig-Weibliche Zieht uns hinan.’
‘Al het vergankelijke is slechts een gelijkenis,
het ontoereikende, hier (in
In de geestelijke wereld vinden we de vervulling van
datgene waarnaar we
Het eeuwig-vrouwelijke vinden we er. Dat eeuwig
vrouwelijke is de menselijke ‘hemelse ziel’, de menselijke geest, het
geestzelf. Het geestelijke in de mens wordt in de symboliek dus vaak
gesymboliseerd door de jonkvrouw.
In die zin is Maria, de moeder van Jezus ook vaak het
symbool van de hemelse ziel, dwz. de gereinigde en gelouterde ziel, die het
Christuskind baart, het Godskind. Dat staat voor de gereinigde ziel die het
geestzelf in de mens ‘baart’.
Het is immers ook zo, dat het hogere IK van de mens
geschapen is door de Elohin (Exusiai) en dat door de komst van Christus (De Zoon
Gods, een aspect van de godelijke Triniteit, die door de Elohin, de Zonnegeesten
werkt) op aarde dit goddelijke IK in ieder mensenkind heeft ingeblazen. Wie zich
bewust wordt van zijn godsvonk wordt zich dus ook bewust van een stukje Christus
in hem!
Uit
de symboliek van de Openbaringen weten we dan dat de draak , het beest ook
probeert dit kind te verslinden. Lucifer en Ahriman zullen er alles aan doen om
te voorkomen dat de mens in zichzelf zijn hogere Ik laat ontvlammen en zich
bewust wordt van zijn Godsvonk, de Christus in hem…
Ook in het sprookje van Roodkapje vinden we deze
symboliek terug. Hier vinden we de wolf als symbool van Ahriman, het
materialisme, die de ziel (Roodkapje) verslindt. Roodkapje raakte echter door de
mooie bloempjes van het pad af en het bos in. De mooie bloemetjes zullen
wellicht de luciferische begeerten zijn, die de weg voorbereiden voor de
ontmoeting met Ahriman, het materialisme, de grote boze wolf. Het merkwaardige
is nu dat de wolf eerst vooruitgaat om grootmoeder te verslinden. Men kan zich
afvragen: Wat symboliseert Grootmoeder? Vermoedelijk gaat het hier om de
verbinding met de oude wijsheid uit het verleden, de wereld van de mythologie,
sagen, sprookjes, oude godsdiensten waarin de oerherinneringen van de
inwijdingswijsheid op symbolische, op kunstzinnige wijze voortleeft.
Wanneer de mensheid deze vergeet en daarvan is afgesneden is het voor
Ahriman veel makkelijker om de ziel te ‘verslinden’. Dit is ook onder meer
de rede waarom op de Vrije School zoveel aandacht wordt besteed aan mythologie,
sprookjes sagen etc. Door al deze verhalen wordt er een zodanige spirituele
rijkdom aan de ziel van de mens gegeven (onbewust) dat hij zich daardoor
gesterkt en verbonden voelt met de oerherinneringen van de mensheid aan de
godenwereld. Deze verhalen geven een gevoel van geestelijke rijkdom aan de ziel,
en wel zodanig dat men als Vrije Schoolleerling het gevoel kan hebben dat mensen
die dit niet hebben meegekregen in wezen geestelijk arm en in zekere zin
meelijwekkend zijn…
In
de huidige tijd ziet men de tendens in de cultuur, in het onderwijs, om de mens
steeds meer af te snijden van zijn verleden, van zijn wortels, zijn
geschiedenis. Geschiedenisles begint tegenwoordig zo’n beetje vanaf de 2e
wereldoorlog, en er is geen sprake van dat op gewone scholen iets wordt verteld
over Germaanse, Griekse, Indiase, Mesopotamische of Egyptische mythologie. Ook
de Bijbel wordt niet meer behandeld, de gemiddelde jonge mens heeft er geen idee
meer van wat Pasen, Kerstmis, Pinksteren betekent, en wie Jesus en Maria waren,
daar hebben ze hoogstens vaag wel eens wat over gehoord.
Op zo’n wijze ontstaat er een generatie van mensen
bij wie in hun innerlijk hun ‘Grootmoeder’ door de wolf is verslonden, zodat
het niet lang meer kan duren vooraleer zijzelf (hun ‘Roodkapje’) aan de
beurt zijn.
Het
de mensen afsnijden van hun wortels, hun ‘Grootmoeder’ wordt in de
Antroposofie als een van de allergevaarlijkste ontwikkelingen gezien, en de
meest zekere weg voor de mensheid om in de afgrond van het materialisme
verstrikt te geraken. Om die rede heeft Steiner ook de Vrije School gecreëerd.
Men
dient het verleden te respecteren en er zich respectvol mee te verbinden. Ook in
het Modernisme vinden we de neiging om de traditie, het verleden op de
schroothoop te zetten, wat de zekerste weg bleek te zijn naar een totale
verloedering en degeneratie van de kunst en de cultuur, zowel in de muziek, de
beeldende kunsten als de architectuur. Het resultaat waren slechts afzichtelijk
lelijke vormen van absurde ‘antikunst’, zoals Stockhausen ed. , de
gedrochtelijke en monsterlijke kliederwerken die in de moderne musea te
bewonderen zijn en de mensonterende glazen en glazuren betonnen ijspaleizen en
vierkante grafmonumenten waarmee men de post-wo2-buitenwijken mee vol pleegt te
zetten.
Wanneer
men dit al ziet bij kunst en cultuur, hoe zal dat gaan met ‘het Modernisme’
in de menselijke ziel? De ziel van een modern jong mens is een vleesgeworden
equivalent van een Bijlmermeerflat, een conceptueel prutswerk, kortom, de
menselijke ziel, die is afgesneden van zijn innerlijke ‘Grootmoeder’ kan
alleen maar ontaarden. Deze ontaarding drukt zich dan ook uit in de steeds
grotere hoeveelheid geestesziekten, psychosen, depressies, verslavingen,
misdaad, zelfmoord, zelfvernietiging, flatneurosen, vandalisme, zinloos geweld
etc.
Het is
een fundamenteel verkeerde manier van doen om ‘revolutie’ te willen en alle
schepen achter zich te verbranden. De ware en wijze manier van vooruitgang is de
evolutie, het langzame verder-ontwikkelen van de traditie, zoals dat
altijd al gegaan is, tot aan de 2e wereldoorlog.
Ook in de Esoterie heeft Steiner zich aangesloten bij oudere tradities, bij de Rozenkruisers of bij andere loges, bij de Duitse Idealisten, bij Goethe, etc.
Wanneer Roodkapje nu is opgegeten bevindt zij zich samen met Grootmoeder in de maag van de wolf. Wanneer de mens op het dieptepunt van de crisis van het materialisme verkeert kan het zijn dat hij terugverlangt naar de verbinding met de oerwijsheid, en aldus in de maag van de wolf zijn ‘innerlijke Grootmoeder’ ontmoet. De wolf legt zich ter ruste en de jager bevrijdt Grootmoeder en Roodkapje. Wellicht is de jager een soort Christus- of Michaels-symbool. De jager doodt immers wilde dieren, en in dit geval de wolf. Christus ofwel Michael overwint het ahrimanisch materialisme, de wolf, ofwel de draak.
Mysterieus is ook het slot van het sprookje: De jager
heeft stenen in de buik van de wolf gedaan, zodat wanneer deze uit de put water
wil drinken in de put stort.
Dit duidt misschien op het asurische geheim van de
radioactiviteit: Metalen die zó zwaar zijn dat ze ineenstorten onder hun eigen
gewicht, het duidt misschien op het ultra-materialisme van de Asura’s. Een nog
verder verzinken in het materialisme als dat van de ahrimanische geesten, wat
regelrecht naar de afgrond voert.
In
zijn jonge jaren schreef Steiner het boek: De filosofie der Vrijheid. Dit is een
puur filosofisch boek en gaat over het vraagstuk wat vrijheid is, en waar de
mens precies vrij in kan zijn. In zijn daden is de mens grotendeels gebonden aan
de noodzakelijkheden van het aardse
leven, het feit dat hij moet eten, leven, een baan moet hebben, zijn begeertes
moet bevredigen naar honger, dorst, etc.
Ook in het voelen is er maar weinig vrijheid, immers,
als je hoort dat je geliefde vrouw is overleden bij een auto-ongeluk is het
ietwat moeilijk om iets anders te voelen als geschokte wanhoop en ontzetting.
In het denken heeft de mens al een heel klein beetje
vrijheid: Ik kan er bv. voor kiezen nu aan een appel te denken. Maar 95% van de
gedachten komen als een stroom van willekeurige associaties spontaan in het
brein op.
De
geestelijke scholingsweg is erop gericht dit hele kleine beetje vrijheid wat in
het denken mogelijk is langzamerhand uit te bouwen en te vergroten, zodat men
zelf, het hogere IK, steeds meer de baas wordt over het zieleleven. Het besluit
om over iets te mediteren kan bv. alleen maar in volledige vrijheid worden
genomen. Van daar uit kan men dan ook een zekere vrijheid verwerven in het
gevoelsgebied en het wilsgebied. Men kan er op den duur voor kiezen om negatieve
emoties te vermijden en liefde uit te stralen vanuit het hart. Men kan de weg
naar de geest dus ook omschrijven als de weg van de mens naar de werkelijke
innerlijke vrijheid. Op deze wijze is de Antroposofie, het esoterisch
Christendom, een mogelijkheid, een pad dat geboden wordt om in de menselijke
ziel al gedeeltelijk iets van het Christendom van vrijheid en liefde te
realiseren.
Marc
van Delft, 25 Augustus 2003